vrijdag 15 april 2016

Zombiebeertje


Mijn vingers glijden over de ribbels van de gepleisterde muur. Gebroken wit met een hoop geelgrijze vlekken, boven het hoofdeind van het bed en het nachtkastje - stempels van mijn voorgangers. Languit lig ik op een hobbelig matras. Ik kijk de kamer rond, staar naar het kleine vensterraam, mijn rugzak in de hoek, de flapperende ventilator op het nachtkastje. Over het raam hangt een fluo-oranje gordijn met helblauwe beertjes erop. Het buitenlicht priemt door de vele gaatjes in de stof. Twee gaatjes zitten pal in de ogen van een beertje. Zombiebeertje. Het gordijn moet hier al een tijd hangen. Ik lig dus niet op dezelfde kamer van toen. Een fluo-oranje gordijn met helblauwe beertjes had ik me zeker herinnerd.

Ik herinnerde me nog het winkelcentrum, waar we vijf jaar geleden ijs aten bij Häagen-Daz. Het restaurantje op de stoep in een smalle steeg, waar we tofu hadden besteld die zo pikant was dat de tranen over onze wangen liepen. Dat we de weg kwijt raakten, overvallen werden door een regenbui, na lang zoeken in het doolhof van steegjes onze hostel terugvonden en de slappe lach kregen in de donkere betonnen inkomhal waar we onze natte haren tegen elkaar en tegen de muren uitschudden als jonge honden. Ook wij moesten hier de wanden bestempelen.

Ergens las ik dat elke herinnering slechts een herinnering is van de vorige herinnering van dat moment. Hoe meer ik dezelfde herinnering ophaal, hoe meer die herinnering vervaagt, hoe meer ik hem overschrijf met eigen verzinsels. Ik zou dus beter stoppen met mij dingen te herinneren. Ik weet dat ik alles mooier maak. Ik herinner me geen spierpijn, geen vermoeidheid, geen hitte. Enkel het ijs, de pikante tofu, de slappe lach, de regendruppels op de muur. 

Ik laat mijn voeten over de lakens glijden. Koele lakens, donkerblauw, met een beige ruitjespatroon. Ik strek mijn armen volledig uit tot ik de randen van het bed kan voelen. Als kind snakte ik naar een tweepersoonsbed. Een speelterrein, een bedboot, een zee van lakens. Zoveel plek voor mij alleen! Dat moest zó leuk zijn! En nu, zoveel jaren later, is zoveel plek voor mij alleen zo treurig.

Gisteren deelde ik een éénpersoonsbed. Martijn liep ook rond in zijn eentje in Bangkok. En toen we beiden niet wilden stoppen met praten, wandelden we met twee. Samen maakten we de stad van ons. Ik liet mijn bed in de slaapzaal voor wat het was, we eindigden één verdieping hoger, in zijn bed, onze lijven aan elkaar gelijmd van de hitte. Te moe en te dronken om eraan te denken de ventilator aan te zetten. De volgende ochtend had de assertieve hosteluitbaatster al lang begrepen dat ik stiekem van kamer was veranderd en mijn rugzak uit de slaapzaal gegooid, bovenop de verzameling schoenen aan de inkom. We moesten er om lachen. 

Ik graai naar mijn fototoestel dat naast me op het bed ligt. Klik mijn foto’s van gisteren in Bangkok tevoorschijn. Grappen op de overzetboot, genieten van onze VIP-seats in de cinema, de karaokezingende verkoper op de markt, de kerel met bloot bovenlijf en cowboyhoed die zichzelf the crazy dude noemde en ons bleef achtervolgen op Khao San Road. Geen hitte, geen spierpijn, enkel de pret. Ik draai mijn fototoestel om en fotografeer mezelf. Mijn uitgestoken tong. Mijn bezwete voorhoofd. Die twee pukkels op mijn kin die ik te danken heb aan teveel zonnecrème. Even mottig doen. Ik maak drie lelijke foto’s en leg mijn toestel weer naast me op het bed. 

Ik had naar een andere hostel moeten gaan. Niet in deze kamer moeten blijven liggen. Niet naar mijn Bangkokfoto's moeten staren. Genoeg. Ik ga mijn herinneringen overschrijven. Chiang Mai opnieuw van mij maken. Nieuwe plaatsen ontdekken, nieuwe mensen leren kennen. Blijven gaan, schrijven en overschrijven. Daar, achter het raam, achter zombiebeertje, wacht de stad op mij. Ik moet enkel opnieuw naar buiten gaan. Nieuwe foto’s maken. Het mogen er ook mooie zijn.


donderdag 14 april 2016

Fuck you, I won't do what you tell me


Met een geplastificeerde menukaart van het café wapper ik mezelf wat koelte toe. De avond heeft net de laatste strepen zon weggeduwd en de lucht is nog steeds vochtig en heet. De blaren op mijn handen branden, mijn vingers zijn rood en stijf, mijn armspieren trillen nog na. Het was nog geen kilometer stappen van mijn hotel naar het muziekcafé, maar mijn wandeling op krukken leek vooral op die van een gestrande walvis die zichzelf krampachtig over een duin sleurt in de hoop ooit de zee terug te vinden.

Omdat de tafels en stoelen op het terras al ingepalmd zijn, heb ik me binnen aan een tafeltje neergezet. Enkel de spots boven de toog zorgen voor licht,  klanten schuifelen als donkere gestaltes in en uit, de ventilator boven mijn hoofd hangt doodstil.  Een druppel zweet glijdt langs mijn neus, mijn keel voelt droog aan en ik probeer al wapperend de aandacht van de ober te trekken. Hij kijkt niet, enkele klanten wel. Hun blik glijdt over mijn krukken, die ik tegen de tafelrand heb laten leunen, glijdt vervolgens over mij. Ik voel hen denken, wat is er met hààr gebeurd? Ik puf nog steeds en probeer het zweet op dramatische wijze van mijn gezicht te vegen, in de hoop dat iemand me een zitplaats op het terras zal aanbieden. Helaas.

Steeds meer mensen stromen binnen, Indonesische jongeren en backpackers. Het café wordt steeds voller en warmer. Een meisje met blonde krullen en een bolletjesjurk glijdt langs mijn tafeltje en stoot per ongeluk tegen mijn krukken. De plastieken handvaten kletteren tegen de tegelvloer. Een geluid dat ik al vaak heb gehoord de laatste dagen. Te vaak.  “Sorry!” roept het meisje verschrikt. “It’s okay,” zeg ik en buk me voor de zoveelste keer om mijn twee ondingen op te rapen. Mijn krukken en ik, een nieuw en moeilijk huwelijk. Can’t live with them, can’t live without them.

Op het kleine houten podium naast mijn tafeltje stelt een groep muzikanten hun instrumenten op. Kabels worden ingeplugd, gitaren gestemd en microfoons getest. Ze zijn met vijf. Indonesische jongens van eind in de twintig. Allen dragen ze een blauwe jeans en een printloze t-shirt. Enkel hun zilveren halskettingen en oorringen verraden een voorliefde voor rockmuziek. Ik weet niet of ik op iets meesterlijks of amusants moet hopen, maar op dit moment is alles goed. Zelfs een lallende charmezanger in een bananenpak zou me nu kunnen bekoren. Als ik maar niet wéér op mijn hotelkamer moet zitten. Mijn boeken zijn uitgelezen, ik ken hele passages en elke achterflap uit mijn hoofd, ik heb  genoeg geslapen voor de rest van het jaar, heb de balken van het plafond al honderd keer geteld en heb verhaaltjes verzonnen bij de tekeningen die ik zag in de nerven van het hout. Ik wil gewoon onder mensen zijn. Vanaf de zijlijn, desnoods. Als ik maar iets meemaak.

De volgende die langs mijn tafel wandelt, een bleke man met een lange rosse baard, struikelt. Over mijn rugzakje, waar ik, om mijn handen vrij te hebben als ik met krukken wandel, mijn geld, gsm en mijn fototoestel in heb gestoken. De man  lacht, wankelt even en steekt zijn hand op. Daarna huppelt hij in de richting van het terras. Hij laat zich zakken aan een tafel waar nog twee mannen en twee vrouwen zitten. Hun hoofden hangen dicht bij elkaar, als een samenzweerderig backpackersverbond, ze klinken hun glazen opgewekt tegen elkaar. Eén van de vrouwen gaat rechtop staan, schudt met haar heupen. De man met de rosse baard neemt een foto. Zijn ze vandaag naar de vulkaan geweest? Hebben ze gewandeld, geklommen? Hebben ze zich doorheen de kraampjes van Malioboro en Beringharjo geworsteld, hebben ze rondgedoold in het waterkasteel? De tempelruïnes van Brambanan gezien? De trappen van de Borbobudurtempel beklommen? Terwijl mijn vervloekte knie en ik alleen maar neerzitten.

De podiumlichten worden aangestoken. De bandleden zetten een stap naar voren, een aantal mensen gaat recht voor het podium staan. De drummer en de gitarist zetten het eerste nummer in. Enter Sandman van Metallica. Ik heb het sinds de middelbare school nooit meer gedraaid, maar ik ken het nog steeds. Voor het eerst in dagen moet ik gniffelen. Mijn ene been beweegt mee op de maat, het andere wil nog niet helemaal mee. De zanger gromt. Say your prayers little one, don’t forget my son, to include everyone.

Meer en meer mensen troepen samen voor het podium. Een enthousiast knikkende Indonesiër met zwarte polsbandjes, een mollige kale backpacker die zijn daypack nog op zijn rug draagt, het meisje met de blonde krullen en de bolletjesjurk. Rechts van het podium staat een Indonesisch meisje te dansen. Ze heeft lange zwarte golvende haren, draagt een zwart corset en een strakke zwarte jeans. Sensueel gooit ze haar hoofd en lange lokken naar voren en naar achteren, op de maat van de muziek. Haar bewegingen werken aanstekelijk. Ook de anderen die vooraan aan het podium staan, headbangen, springen op en neer, juichen, gaan uit hun dak. Ik verplaats af en toe mijn krukken, voor iemand er opnieuw tegen kan botsen. Aan de buitenkant ben ik rustig, diep vanbinnen wil ik op en neer gaan, mezelf doodop springen. Exit light. Enter night. Headbangen, zoals in het middelbaar.

De zanger glimlacht naar me. Hij lijkt te merken dat ik de lyrics, die ik aan het meelippen ben, vanbuiten ken. Ik heb altijd gevreesd dat het een belachelijk zicht is, mensen die meezingen met liedjesteksten. Jezelf Mick Jagger voelend maar eigenlijk lelijke smoelen trekkend aan de zijlijn staan. Maar vandaag doe ik het gewoon. Als ik niet kan dansen, mag ik brullen. We’re off to never-never land!”

Enter Sandman stopt en de band zet een nieuw nummer in. Killing in the name of, van Rage Against The Machine. Een nummer dat voor ons in de nineties rebellie uitdroeg, al wisten we niet precies tegen wie en waarom. Rage Against The Machine doet wonderen voor mijn humeur. And now you do what they told ya – now you’re under control – and now you do what they told ya. Now you’re under control! Ik roep mee, samen met de dansende mensen die rond mij staan.

De zanger komt mijn richting uit, houdt de microfoon onder mijn neus. Ik brul, harder dan ik van mezelf had verwacht. Now you’re under control – and now you do what they told ya! Hij strekt zijn arm uit, nodigt me uit, het podium op. Ik aarzel, grijp naar mijn krukken, denk "foert". Met mijn goede been voor en mijn slechte been achter, hijs ik mezelf de trede op. De zanger legt zijn arm over mijn schouder, houdt de microfoon tussen ons in. Samen roepen we verder. Fuck you, I won’t do what you tell me! Het publiek geniet, headbangt, springt op en neer. Iedereen gaat uit zijn dak. De zanger grijnst naar me. Ik grijns terug. En brul alle ongeluk van de laatste dagen uit mijn lijf. Deze is voor mijn knie. En voor alle puberale rebellie uit de nineties. Die vandaag verdomd plezant is. Fuck you! I won’t do what you tell me! Motherfucker! Ugh!


woensdag 2 maart 2016

Postkaarten en oversea calls



Nippend van mijn cocktail nestel ik me in de felgekleurde ligkussens van de strandbar. Dubmuziek op de achtergrond, die af en toe wordt overstemd door aanrollende golven. Wat verderop grinnikt een koppel. Enkele vrienden keuvelen, rinkelend met hun glazen. En twee meter naast me, leest een man een boek. Verder is de strandbar zo goed als verlaten. Ik schuif mijn blote voeten in het zand.

Mijn reisgenote heeft net als de andere backpackers haar intrek genomen in de aanpalende internetcafés. Allemaal gaan ze hun dagelijkse reisverslagen mailen naar de volledige kennissen- en vage kennissenkring. (Vanmorgen aten we als ontbijt een omelet en een bananenpannenkoek. Hmm! Daarna hebben we een paar uur gesnorkeld. De vissen waren mooier dan die van gisteren. Er was ook een kraampje waar je t-shirts kon kopen. Voor maar 30 baht! Dat kan je je bij ons toch niet voorstellen. We gaan naar goede gewoonte vroeg slapen vandaag. We zijn erg moe door de hitte. We gaan morgen naar Phitsanulok. Tot morgen, voor meer avonturen. Wie léést die epistels eigenlijk?)


Allemaal gaan ze skypen met hun lief. Hun ouders. Hoe rock n’ roll is reizen nog wanneer we dagelijks met onze moeders kunnen praten? Wat is er gebeurd met het wekelijks telefoontje, vanuit een stoffig winkeltje met “oversea call” op de etalageruit gestickerd, met een écht telefoontoestel, met prominent aanwezige druktoetsen. Het wekelijkse telefoontje dat maar enkele minuten mocht duren, omdat het anders teveel kostte.


Toen mijn grootmoeder veel reisde, deed ze naar ons ook een wekelijks telefoontje. Zij praatte niet, maar riep, alsof haar stem de afstand in kilometers daadwerkelijk moest overbruggen. Hoe verder het land, hoe meer zij haar stem verhief. Deze telefoontjes duurden niet enkele minuten, maar enkele seconden.
“We leven nog. Ik ga afleggen. Dag.”
Dàt was nog eens reizen. Nu is thuis overal. De enige afstand die er nog overschiet is die tussen jezelf en de internetverbinding.

Daarnet heb ik een bundel postkaarten gekocht. Het heeft me dagen gekost om er te vinden, maar het is me gelukt. Er staan paarsroze zonsondergangen op, cocktails en palmbomen, tempels, bijgewerkt met extra goud en schitteringen. Die ga ik verzenden. Per post. Iedereen een persoonlijke boodschap. Een flauw grapje. En zonnige groetjes. Terwijl ik met mijn blote voeten in het zand wroet. De inkt op de postkaarten per ongeluk uitveeg met mijn zweet en zonnecrème, met hier en daar een verdwaalde zandkorrel. Geen mail, laat staan skype. Een persoonlijke postkaart met echte balpeninkt, met de hand geschreven.

Met mijn tenen trek ik strepen in het zand. Eén, twee, drie, vier. Mijn reisgenote komt naast me zitten.
“En?” vraag ik. “Wat voor nieuws?”
“Niets speciaals,” zegt ze.
“Ha, ik zei het toch.”
“Hier nog wat gebeurd?”
“Nee,” zeg ik. “Lekker rustig.”

We bestellen nog een cocktail. Maken plannen. Ik trek nog driemaal een streep door het zand. Nog drie dagen. En dan mag ik van mezelf weer skypen en mailen met het thuisfront.Waar niks gebeurd zal zijn. Maar verdomme. Mijn grootmoeder was toch meer rock n’ roll dan ik.

De weg naar Pai



Zelfvoldaan kijk ik door het raam van de minibus. De weg kronkelt vlotjes langs ons heen, het leven is mooi, we zijn op weg naar Pai. In reisgidsen wordt dit dorp omschreven als  “Pai-radise”, een oase van groene valleien, watervallen en rust. Een plek om naar uit te kijken na twee weken hoofdsteden vol stank en lawaai.

Helaas moesten mijn reisgenoten en ik daar erg vroeg en met kater – want die kom je wel eens tegen in Aziatische hoofdsteden vol goedkope bars – voor opstaan, om aan het busstation te ontdekken dat de bus nog vele uren op zich zou laten wachten. Uren die in Thailand nog rekbaarder zijn dan in België. Nadat een schurftige hond zijn vacht driftig tegen onze benen bleef schuren, besloten we dat we zo snel mogelijk moesten vertrekken.

Boeddha was ons goed gezind, want een chauffeur die een minibus ter beschikking had, wilde ons wel brengen van zodra we met voldoende passagiers waren. Dus begonnen wij driftig in het rond te kijken  - ‘die eenzame backpacker daar, die weet toch niet waar naartoe’, ‘probeer dat koppel met dreadlocks, zij willen zeker naar de natuur’ -  en luidkeels “Pai!” te roepen. Alweer bleek alles vanzelf te gaan in Thailand, want na twee minuten hadden we genoeg Pai-gangers verzameld. We riepen naar de chauffeur dat we konden vertrekken.

Maar nu we de stad uit zijn, beginnen de haarspeldbochten. De Canadees achter me lacht zenuwachtig dat hij wel erg veel last heeft van reisziekte. Natuurlijk heeft niemand een plastic zak bij zich en natuurlijk zit hij achter me, zodat ik angstig wacht tot er een hoop braaksel in mijn nek terecht zal komen. Daarbij heeft de chauffeur van onze pas verworven minibus niet zoveel geslapen afgelopen nacht, want zijn ogen zijn bloeddoorlopen en hij zuipt onafgebroken Red Bull-flesjes leeg. Ook blijkt hij liever rechts te rijden dan links, zoals dat in Thailand nochtans hoort. Met overdreven snelheid.

De eerste vrachtwagen kan nog net uitwijken. De tweede raakt ons op één centimeter na. De koe die langs de kant van de weg loopt, moet het bijna ontgelden. Onze chauffeur toetert, draait zich om en lacht naar ons.

“Can you please slow down?” vraagt mijn reisgenoot.
“Can you please drive left?” smeek ik.
“I really feel sick,” zegt de Canadees.

Ik besluit alles zoveel mogelijk te negeren, opnieuw door mijn raampje te staren met mijn zelfvoldane blik van daarnet en te bidden dat deze rit zo snel mogelijk voorbij is. Helaas begint de kerel naast me, een twintiger uit Noorwegen met een beige hoed en een hals vol amuletten, tegen me te praten. Dat ik me niet moet opjagen. Dat dit erbij hoort.
“I am a buddhist” zegt hij, alsof dat alles verklaart. Daarop haalt hij op nadrukkelijke wijze een boek over de Dalai Lama uit zijn tas en begint geconcentreerd de spirituele inhoud in zich op te nemen. Intussen vindt het dreadlockkoppel  op de achterbank het bijzonder grappig om elkaar braakverhalen te vertellen. De Canadees ziet nu helemaal groen. Op het moment dat ik het koppel de mond wil snoeren, stopt de chauffeur en kondigt zijn rookpauze aan. De Canadees duikt meteen de bosjes in, onder luid hoongelach van de chauffeur, terwijl de boeddhistische Noor vreemde gevechtsbewegingen start aan de kant van de weg. “I practice capoeira,” legt hij uit, terwijl ik hem niets heb gevraagd. Ik graai naar mijn I-pod en besluit de rest van de rit naar heel erg luide muziek te luisteren.

762 bochten, vijf bijna-aanrijdingen en drie bijna-dode koeien later, staan we eindelijk in Pai. Wanneer onze chauffeur onze rugzakken uit de kofferbak haalt, valt het onmiddellijk op dat de onze drie keer zo groot en zo zwaar zijn als die van de Noor. Met triomfantelijke blik toont hij zijn rugzakje. “This is all I need” zegt hij terwijl hij doordringend in mijn ogen staart. Ok, beste Noor, wij zijn kapitalisten. Jij bent Ghandi. “This,” vervolgt hij, zoekend in de kofferbak naar een juten zak, “and my spraycans.” Ik zeg niets, maar weet dat er sowieso een uitleg gaat komen. “I spray my art on walls in bars,” verklaart hij trots, alsof hij net een dorp kinderen van de armoede heeft gered. En dan begint hij te fluisteren alsof hij me een groot geheim gaat toevertrouwen. “They give me food for it… and drugs.” We maken ons uit de voeten voor de Noor gaat voorstellen om samen in het oerwoud te verblijven en er driemaal per dag te mediteren. Het is een algemene wet, om het paradijs te bereiken, moet je eerst even de hel doorstaan.

zondag 14 februari 2016

Weer vertrokken



Ik ben weer vertrokken. Ik heb in de rivier op een autoband gedobberd, karaoke gezongen met een groep schoolkinderen, een bergrit gemaakt achterin een pick-up truck. Ambitieuze plannen gesmeed. Thuis: Ligkussens installeren op het terras. ‘s Ochtends pineapple shakes maken. Meer glimlachen naar onbekenden. Meer praten met onbekenden. Dagelijks yoga-oefeningen doen tijdens zonsopgang. De helft van mijn spullen wegschenken. Spaans leren.

Ik heb een hele avond doorgebracht op de veranda van een gitaarspelende Thaise vrouw en haar kinderen, rondgereden op een brommer – 125cc! -, aapjes gevoederd en mijn haarspeld laten afpakken – ik heb iemand ontmoet die precies weet hoe laat het is, aan de hand van vogelgefluit. Ik heb tien nieuwe vrienden gemaakt, tot diep in de nacht gepraat, gelachen, gerookt, gedronken.

Nu is iedereen weer vertrokken. De facebookprofielen zijn aangevuld. De gmails en hotmails uitgewisseld. De foto’s getrokken, de herinneringen neergepend in reisdagboeken. Iedereen moest verder. Dus ik ook. Hoogtepunten herbeleven op dezelfde plekken heeft geen zin. Een mens moet af en toe een bus nemen. Of een boot, in mijn geval. Naar het eiland Koh Phan Gan. Nieuwe mensen, nieuwe ideeën, nieuwe paden, nieuwe stromen.

Ik ben hier nu enkele dagen. En ik wil opnieuw vertrekken. De  backpackers die ik hier heb ontmoet,  de Britten Jack, Sam en Jason, zijn speciaal naar hier gekomen voor de full moon party, om er de hele nacht op het strand te fuiven, te zuipen, te snuiven, te slikken. De full moon party is pas over enkele dagen, dus bereiden Jack, Sam en Jason zich voor door alvast elke dag te fuiven, te zuipen, te snuiven en te slikken. Ook hebben ze een gitaar bij   – in  de hoop een griet te scoren – en spelen elke avond in de tuin van de hostel “No woman, no cry.” Alleen maar “No woman, no cry.”

Mijn hostel wordt uitgebaat door Dave, een Australiër die enkele jaren geleden verliefd werd op Thailand, ooit het hipste hostel van Koh Phan Gan wilde bouwen, maar nu “niets gedaan krijgt in dit rotland”, zodat de helft van de kamers nog gebouwd moet worden en er nog steeds geen stromend water is. Zijn enige lichtpunt is zijn Thaise vrouw die Bunny heet of zich alleszins zo laat noemen, die haar fotomodellenbenen dagelijks in roze hotpants stopt en aan thai boxing doet. Dave moppert en timmert.

Sarah, met wie ik een kamer deel, is mooier dan Gisele Bündchen, en is of doet elk moment van de dag euforisch. Zelfs wanneer ze naar het toilethok spurt wegens traveller’s disease. Dat er geen stromend water is, stoort haar niet, waterleidingen zijn westers en verwerpelijk. Blootvoets wandelt ze de dag door en kribbelt ze ideeën neer - in een boekje dat gemaakt is van papier op basis van olifantenuitwerpselen - voor het yoga centrum dat ze wil starten in San Francisco en dat ze Bali Ganesja Utkatasana Love wil noemen. Toen ik vanmorgen opperde dat Bali Ganesja Utkatasana Love niet zo’n heel erg commerciële naam is, heeft ze niets meer tegen me gezegd.  Ik ben gestopt met praten. Gestopt met foto’s trekken, e-mailadressen uitwisselen, herinneringen neerpennen. Ik wil graag weer vertrekken.

Ik huur een fiets. Rij, in het wilde weg, geen idee waar naartoe. Een bar langs de kant van de straat, waar drie Thaise vrouwen me opmerken. “It’s too hot!” schatert één van hen. “Take a tuk-tuk!” De zweetdruppels staan al op mijn lippen. Maar ik lach, steek mijn hand op. Deze naïeve toerist gaat verder fietsen. Twintig minuten later bonst mijn hart in mijn hoofd, bibberen mijn benen, lijkt het asfalt uit zichzelf te bewegen. Ik stap af, maak mijn fiets vast aan een boom en ga te voet verder. Ik merk een winkeltje op, met een spirit house naast de toegangsdeur – een kleine kleurige tempel op een paal, om de geesten te vereren. Ik koop er een cola en vervolg mijn weg. Ik sla een paadje in dat naar beneden loopt. Twee wandelaars komen me tegemoet, knikken “Hi” naar me, kijken opnieuw voor zich uit en stappen verder. Hun voetstappen ebben weg, maken plaats voor tsjirpende krekels. Het pad kronkelt traag naar beneden. Hier en daar een modderplas, als herinnering aan de dagelijkse moessonregen.

Hoe langer ik het pad naar beneden volg, hoe dichter de bomen bij elkaar komen. Hoe beter hun takken en bladeren me afschermen van de zon. Het krekelgetsjirp zwelt aan, de aarde wordt zompiger, het klatert in de verte. Onderaan het pad, verscholen tussen bomen en lianen, stroomt een waterval in een poel. Omgeven door struiken en grijze gladde rotsen. Aan de overkant van de poel schiet een varaan door het struikgewas. Even stopt hij, draait zijn kop in mijn richting. Daarna verdwijnt hij weer. Een streep zon valt in de poel en kleurt het water lichtgroen.

Ik schop mijn sandalen uit. Trek mijn jurk over mijn hoofd. Ik hurk neer op de grote vlakke rotsen aan de rand van de poel en laat me in het water glijden. Steeds dieper, tot ik met mijn tenen de bodem kan voelen. Tot het water net onder mijn neus komt. Ik los op. Ik ben er. Ben er niet. Blijf gewoon staan. Minuten, kwartieren, uren. Maakt niets uit. Het is heerlijk. Voor het eerst. Alleen. Voor het eerst vind ik het heerlijk om alleen te zijn.

Ik wandel terug naar mijn fiets. Ik ben weer vertrokken.






Khao San Road


Ik wandel op een smal stuk trottoir in de schroeiende zon terwijl tuk-tuks, taxi’s en brommers langs me heen razen. Het is mijn eerste dag in Bangkok. De eerste dag van mijn eerste reis alleen. Mijn horloge geeft nog het Belgische uur aan, 7 uur ’s ochtends. Hier is het middag, 12 uur. Mijn hoofd zit vol wolken, ik lijk te zweven over het zwetende asfalt. Ik ben nog niet helemaal geland. Als ik de douanebeambte en de vrouw aan de balie van mijn hostel niet meetel, heb ik tot nu toe met niemand gesproken.

Het is maar een paar minuten wandelen naar Khao San Road, die in de reisgidsen wordt omschreven als dé backpackersstraat. Een paar jaar geleden ben ik er voor het eerst geweest en ik herinner me een vage haat-liefde-verhouding voor deze plek. Nu is het mijn enige aanknopingspunt. Mijn enige plan naast wakker blijven.

Honderden uithangborden aan de gevels roepen op tot consumptie, vermomd als toeristenplezier – “cheap hotel!” “fish massage!” “bus tickets!” “tattoo!” “exchange office!” “beer garden!” “overseas call!”.  Hostels wisselen af met reisbureaus, Irish pubs (“party all night!”), massagesalons, bars en restaurants met terrassen. Er is zelfs een McDonalds – met  clown Ronald McDonald in boeddhistische groethouding, die er desondanks nog steeds eng uitziet. Beide kanten van de straat zijn net als jaren geleden gevuld met kraampjes die aanbieden wat de doorsnee backpacker nodig heeft: rugzakken, zaklampen, reservebatterijen, goedkope t-shirts met het logo van Singha Beer. Voor de alternatieve hippie-reiziger zijn er houten tribaloorbellen, yin-yang halskettingen, harembroeken, tattoosshops, nepdreadlocks en  valse tattoosleeves.

Backpackers  flaneren tussen de kraampjes, praten druk met elkaar. Behalve ik. De kersvers gelande alleen-reiziger. Mijn schoenen nog niet afgetrapt en mijn kleren nog niet bestoft. Ik hunker naar Thais voedsel, maar op Khao San Road zijn er vooral hamburgers en frieten te verkrijgen. Uiteindelijk plant ik me neer op een terras waar een vrouw “Real pad thai!” staat te roepen om klanten te lokken en waar ik een perfect uitzicht heb over de straat.

Stromen van mensen wandelen, fietsen, rijden op hun brommers voorbij. Ze kopen, praten, eten, kopen, praten, fotograferen, kopen. Ik zie een mollige roodverbrande man met een yankeespet een slanke Thaise vrouw aan zijn arm, twee koppen kleiner dan hij. Drie zwalpende jongens met Singha Beer t-shirts en wallen onder hun ogen. Een Thaise jongen met dreadlocks en een rastamuts, wat nog vreemder aandoet dan een blanke jongen met dreadlocks en een rastamuts. Een man die zijn rugzak op zijn buik draagt uit angst om bestolen te worden. Westerse meisjes in Aziatische kleren. Thaise meisjes in westerse kleren. Een Indische man met tulband. Een boeddhistische monnik in een oranje gewaad, druk in gesprek met zijn gsm. Uren kan ik blijven zitten en kijken. Als de luchthaven van Bangkok de toegangspoort van Zuid-Oost-Azië is, dan is Khao San Road de inkomhal.

Maar ik moet landen. Praten. Mensen leren kennen. Mijn reis aanvatten,  me mengen tussen de mensen van Khao San Road. Sowieso heb ik teenslippers nodig. Hup, kopen, praten. Ik wurm me tussen de wirwar van backpackers en kraampjes. Wandel langs rijen bootleg-cd’s en t-shirts. Ik hoor Engels rond mij, Frans, Nederlands. Af en toe wil ik iets zeggen. Een vlot gesprek aanknopen. Een grappige opmerking maken. Maar ik kan niets bedenken.  De backpackers hebben het te druk, met kopen, met eten en drinken, met elkaar.

In het midden van de straat, ter hoogte van het zoveelste t-shirtkraam, zit een Thaise man op een plastieken stoel. Hij lijkt ongeveer vijftig jaar oud, is gekleed in een lang wit gewaad en draagt zijn zwarte haren in een lage paardenstaart.  Rond zijn nek hangen honderden parelkettingen. Hij merkt me op en wenkt me. “Come sit with me,” zegt hij. En hij schuift de plastieken stoel naast de zijne in mijn richting.

“You…” mompelt hij en kijkt me doordringend aan. “You are not open.”
“Yes I am,” zeg ik nadrukkelijk. Heel bewust. Mijn eerste gesprek in Thailand is een feit.
De paardenstaartman schudt zijn hoofd. “Let me help you.”
Voor ik het goed besef is hij dichter naar me toe geschoven, begint met zijn vingertoppen in mijn rug te poken en brabbelt iets onverstaanbaars over chakra’s. 
“You have to open up,” zegt hij streng. “Your chakra’s are blocked.”
“I feel great,” werp ik tegen. Als het echt waar is, dat ik niet "open" ben, denk ik, dan is het geen wonder dat niemand met me wil praten. En: Oh nee, geblokkeerde chakra’s!
“Relax,” zegt hij en knipt driemaal met zijn vingers in mijn oor.
Enkele backpackers houden halt en beginnen ons te bekijken. Eén van hen haalt zijn fototoestel boven. Nu heb ik hun aandacht, ja, nu wel.
En dan fluistert hij:
“You should come to my house. I will open your chakra’s there. I will show you amazing things.”

Genoeg. Ik sta recht. En ik wandel weer verder. “Too bad! Let me help you!” roept hij me achterna, terwijl de backpackers toekijken. Ik weet weer waarom ik een haat-liefde-verhouding heb met Khao San Road. En het zijn niet de hamburgers en de frieten.










Happy Yellow



Hij staart me aan. De spons staart me aan. Ik kan bijna zijn stemmetje horen. Ik geef hem bijna een naam. Joske. Of Niels. Waarom heeft deze spons een gezichtje? Waarom heeft de fles afwasmiddel een gezichtje? En de insektenverdelger? Zelfs het rattenvergif ziet er schattig uit, dankzij de afbeelding van een  huppelend pastelkleurig knaagdiertje op de verpakking. Van pennenzakken tot zakdoekjes, alle voorwerpen in Japanse supermarkten ogen vertederend, alsof ze thuishoren in een lieve roze tekenfilm. Maar wat als je nu een getatoeëerde zeebonk bent en je moet afwassen met een sponsje dat naar je lacht? En snuit de Japanse keizer zijn neus ook in zakdoekjes met roze Hello Kitty-katjes?

Na een voormiddag winkelen in het centrum van Tokyo, besluiten we iets nieuws te gaan ontdekken: een French Maid Café in Akihabara. Dat zou een themacafé zijn voor jong en oud, waar het personeel is verkleed als Franse dienstmeid.  Even later worden we inderdaad door vijf als dienstmeid opgemaakte meisjes verwelkomd in een felverlichte bar op de zevende verdieping van een flatgebouw. In het midden van de bar staan enkele lange tafels met plastieken zitkrukken, achteraan bevindt zich een podium. Her en der zitten de klanten, zowel gezinnen met kinderen als eenzame zakenmannen in kostuum. Hitsige popmuziek met schelle meisjesstemmen vult de ruimte.

Even bevreemdend als de mengeling van het cliënteel is het uiterlijk van de dienstmeiden. Zo draagt ‘onze’ meid sexy zwarte kniekousen, een kort pofrokje en een kanten hemdje. Anderzijds bengelen er knuffelbeesten aan de riem van haar rokje, heeft ze een gigantische luipaardenstrik in haar haar en beweegt ze als een zesjarig meisje. Ze overhandigt ons een menukaart met daarop de foto’s van alle dienstmeiden uit het café. Wij mogen kiezen welke meid ons moet bedienen. Wij zijn ‘master’ en ‘mistress’.  De meid moet buigingen maken en ons onderhouden met gesprekken, eten en drinken. We kunnen haar zelfs vragen of ze met een lepel voedsel in onze mond stopt.

Onze ice coffee komt met een witte schuimkraag. De meid vraagt welk dier ze erop mag tekenen met chocoladesaus.
“A mouse,” zeggen wij.
Theatraal legt ze haar wijsvinger tegen haar voorhoofd. “Mouse?” vraagt ze met een piepstem. Alsof ze niet weet hoe ze een muis moet tekenen. 
“Rabbit?” proberen we dan maar.
“Ooh rabbit!” Haar gezicht klaart op en ze maakt een vreugdesprongetje. Meteen tekent ze een konijn op het melkschuim. Vervolgens toont ze ons een assortiment rietjes. “Choose your color, please.”
“Yellow,” kiezen wij.
Alweer maakt ze een vreugdesprong en piept ze met een hoge stem. “Hooray! Happy yellow!”

Dan springen de spots op het podium aan en schalt er een mededeling uit de luidsprekers. Drie kleuters klimmen het podium op, vergezeld van een dienstmeid en vrolijke kindermuziek. Ze krijgen een diadeem met konijnenoren op hun hoofd en moeten lachend poseren voor de polaroidfoto. Hun handen een hartje vormend. Daarna is een oudere zakenman aan de beurt. Ook hij gaat gewillig met een dienstmeid op het podium staan, zet konijnenoren op zijn hoofd en maakt met zijn handen een hartje richting camera. Verbijsterd kijken we toe. Is dit nu een kinderfeestje of een kinky feestje? 

Na veel “happy yellow” en “happy drinks” moeten ook wij het podium op. Ik kies pluizige kattenoren. Moet mijn handen in de vorm van een hartje houden. Lachen.

Op de metro staren we naar onze polaroidfoto’s. Versierd met lachende gezichtjes, hartjes en sterretjes. De schelle popmuziek nog nagalmend in de oren. Iets verderop zit een krom oud vrouwtje. Ze draagt een mondmasker. Met Hello Kitty’s erop. In het roze.





The hardest part



Terwijl ik nippend van een beker bier dansende mensen observeer in de tuin van de reggaebar, ploft hij neer in de stoel naast de mijne. Zijn vingers roffelen tegen de plastieken armleuningen, op het ritme van de muziek. Zijn ogen glinsteren, zijn lach lijkt op die van Cheshire Cat uit Alice in Wonderland. “First time here? Do you like it?”

Hij blijft maar vragen stellen. Heet me welkom in Chiang Mai. Omdat hij van Alice in Wonderland houdt – wat blijkt wanneer ik hem vertel over zijn Cheshire Cat-lach – en omdat hij weet wat capibara’s zijn, blijf ik zitten. Ook al is hij vlot. Normaal wantrouw ik vlot. Grijnzend schakelt hij van Engels naar Frans naar Spaans naar Arabisch. Zijn kledij lijkt Amerikaans, zijn ogen en neus Italiaans of Noord-Afrikaans. We vinden dat we elkaars nationaliteit maar moeten raden, houden dat een halfuur vol en geven dan toe dat we elkaar nog steeds niet kunnen situeren. Toch blijken we uiteindelijk niet ver van elkaar te zijn geboren. Hij is afkomstig van Parijs. Het werk van zijn Algerijnse vader bracht hem jaren geleden naar de Verenigde Staten. Zijn eigen werk bracht hem vorig jaar naar hier, naar Chiang Mai, Thailand.

Hij stelt me voor aan Jessica, een Australische vriendin van hem, die zelfgevlochten armbandjes verkoopt om haar huur te betalen. Aan de dj van vanavond, Jack, die voor Lonely Planet schrijft. Aan de barman, Chula, een Thai uit Phuket, met een grote collectie rootsrockplaten. Hij kribbelt adresjes voor me neer, tekent plattegronden op een servet waarop in iedere hoek palmbomen staan getekend. Welke guesthouse gezellig is, welk dorpje ik zeker moet bezoeken, welk wandelpad bijna niemand kent en heel erg de moeite is.

We blijven praten. Dansen. Tussen backpackers met dreadlocks en flodderbroeken, Thaise jongeren met gekleurde lokken, in strakke jeans, expats en couchsurfers. Soepel beweegt hij tussen iedereen door, lijkt hen allemaal te kennen, verdwijnt, verschijnt, verdwijnt. Checkt of ik me amuseer. Wanneer het weer licht wordt, biedt hij me een lift aan. Op zijn limoengroene scooter rijden we naar mijn hostel, zigzaggend door de smalle stegen van Chiang Mai. Hij kent zijn weg.

Ik verwacht geen mails en ze komen toch. Tijdens mijn Thailandtrip, en daarna. Zijn werk brengt hem verder. Naar Rome, Londen, Berlijn, Shanghai en Dubai. Steden die ooit het centrum van de wereld waren of zouden kunnen worden. Ik zou meteen ruilen. Het leven leiden dat hij leidt, vinger aan de pols, deel zijn van duizenden levens die elkaar kruisen. Bewegen van de ene stad naar de andere. Mensen kennen uit alle hoeken van de wereld. Misschien durf ik niet te springen, down the rabbithole, om konijnen na te jagen, zoals Alice. Hij raast van het ene avontuur naar het andere. Kost hem geen enkele moeite. Zegt hij. “The hardest part is leaving,” schrijft hij me, iedere keer als hij van plek wisselt. Hij vindt altijd zijn weg.

Jaren later staat hij me op te wachten aan het spoor in Paris-Nord. Enkele kilo’s zwaarder, enkele haren minder. Zijn pas is trager, wat niet kan liggen aan mijn rugzak die hij per sé voor me wil dragen, ik heb amper bagage bij. Hij lijkt gewoon moe. Dagenlang wandelen we door Parijs. Van Centre Pompidou naar Père Lachaise, langs terrassen aan de Seine, door de vele parken. Hij houdt zijn smartphone in zijn hand, Google Maps wijst hem de weg. “Het is te lang geleden,” verontschuldigt hij zich.

We schuimen interieurwinkels af. Er moeten kasten worden besteld, een tafel, een bed, potten en pannen gekocht. We gaan langs kledingwinkels. Voor het eerst heeft hij meer nodig dan vijf t-shirts en twee broeken. “I finally have a home,” lacht hij. “A real one.” Tussendoor solliciteert hij. Kan alvast een jaarcontract krijgen. Liefst wil hij er één voor onbepaalde duur.

In zijn piepklein appartement leven we op de vloer, in kleermakerszit. Er ligt een matras, er staan twee kartonnen dozen met kleren en boeken, in een hoek ligt zijn laptop en zijn fototoestel. Met daar bovenop vijf propvolle geheugenkaarten. Meer heeft hij niet. 

Na enkele dagen wordt de piano geleverd. Een digitale piano, op statief, die net past naast zijn matras in de slaapkamer van zes vierkante meter. ’s Ochtends wekt hij me met steeds hetzelfde lied, La valse d’Amélie van Yann Tierssen. "Zo 'Parijs' van jou", plaag ik hem. "Ga je me daar elke dag mee wakker maken?" Hij lacht niet terug. La valse d’Amélie klinkt nog niet zoals het moet. Hij hamert, hakkelt, stottert, beukt op de toetsen. Alsof hij Parijs weer in zijn vingers en in zijn lijf moet krijgen.

Omdat we de vloer van het appartement snel beu zijn, picknicken we veel in het park. In Parijse stijl, met kaas, wijn en vers stokbrood. Soms komen kennissen van hem ons gezelschap houden. Argentijnen, Spanjaarden, Zweden, die hij kent via couchsurfing. Geen Parijzenaars. Allemaal zijn we buitenlanders in deze stad.

Tijdens onze wandelingen belt zijn moeder af en toe. Of hij niet wat meer op bezoek komt, nu hij weer in Parijs woont. Hun gesprekken duren nooit langer dan twee minuten. Zijn moeder is nooit verder geraakt dan Marseille, zegt hij. Ze begrijpt hem niet. Ook onze gesprekken beginnen stil te vallen. Google Maps op zijn smartphone wordt steeds meer een reden om niet langer mijn richting uit te kijken. Het wordt tijd dat ik weer eens naar België ga, beslis ik, nu met weinig tegenzin.

Wanneer we opnieuw aan het spoor staan in Paris-Nord, pols ik of hij me gaat mailen. Hij zegt niet uitdrukkelijk ja, maar zwaait terwijl ik de trein opstap. Ik zie een kleine zweem Cheshire cat op zijn gezicht verschijnen. Gelukkig. En dan verdwijnt hij, tussen de massa in het station, met zijn smartphone in zijn hand geklemd.


The hardest part is not leaving, denk ik, wanneer ik met de Thalys naar Brussel rijd. The hardest part is coming back.




Tranquil!



Het boottochtje in de mangrove had langer geduurd dan verwacht. Dat was niet zo erg omdat de vogels, waterplanten en baby-alligators mooi waren, erger omdat de gids, die eerst een serieuze man leek, mijn vriendin en mij te pas en te onpas lastig viel door alligators en muggen te imiteren, maar het ergste omdat we onze bus moesten halen.

‘Bus’ en ‘Mexico’ waren tot nu toe een slechte combinatie geweest. Op weg naar de tempels van Teotihuacán was ik de enige trui die ik had meegenomen naar Mexico kwijtgeraakt. De bus van Mexico-Stad naar Oaxaca hadden we gemist door een monsterfile in het centrum, waardoor we opnieuw tickets moesten kopen. De busrit van Oaxaca naar Pochutla was zo kronkelig dat we urenlang verstijfd, met opeengeklemde kaken voor ons uit hadden gestaard in een poging ons ontbijt niet over onze medepassagiers heen te kotsen. En toen hadden we even genoeg bus gehad. Gelukkig bestaat het kustdorpje Mazunte vooral uit strand, zee en mangroves. Er is maar één geasfalteerde straat. Vanavond moeten we echter in de dichtstbijzijnde stad Pochutla geraken, om er de nachtbus te nemen.
“Colectivo,” had de man van wie we een cabaña huurden gezegd. Zo’n minibus die passagiers oppikt langs de kant van de weg zou de beste manier zijn om Pochutla te bereiken.

Hijgend en puffend haasten we ons naar de enige officiële straat. Nergens staat iets aangeduid dat wijst op een colectivostopplaats. Dus planten we ons strategisch neer naast een blauw naambordje waarop in gele krullerige letters “Mazunte” staat geschilderd. Het glinstert in de namiddagzon. Nauwlettend houden we de straat in de gaten. Nog anderhalf uur en de nachtbus in Pochutla vertrekt.
Er komt een oude man naar ons toe gestrompeld. Hij draagt enkel een witte lendendoek om zijn magere lijf. “Colectivo!” roept hij. Zijn armen zwieren door de lucht en zijn smalle voeten wankelen onder zijn pezige lichaam. Speekseldruppeltjes sproeiend komt hij bij ons staan. “Colectivo! Aquí!” roept hij. Jaja, dat weten we, knikken we. Komt goed.

“Tranquil!” brult hij opeens. “Tranquil!” En hij maakt molenwiekend duidelijk dat we rustig moeten blijven zitten. Dat we rustiger zouden zijn als hij niet zo zou armzwaaien, krijgen we niet uitgelegd. Gelukkig komt er even later een minibusje aangereden. We doen teken, de colectivo stopt. De oude man strompelt weg, alsof zijn dagtaak erop zit. De colectivo vertrekt.

Naast ons op de bank zitten drie mensen, een man met een kip op zijn schoot, een vrouw met een vrolijk rond gezicht die zachtjes neuriet en een backpacker met houten oorringen en een vlecht die tot aan zijn knieën reikt. De colectivo volgt de kustweg en brengt ons langs dorpjes. Felgekleurde vlaggetjes overspannen de straten. Af en toe duikt tussen de huizen een stuk zee, een streep strand op. De zon zakt langzaam weg achter de daken. Mensen stappen op en af. Eén man met een trechtervormige strohoed op zijn hoofd lijkt het prettig te vinden om aan de achterkant van het busje te gaan hangen. Ik vermoed dat hij zo een beter zicht heeft op mijn vriendin. Hij staart naar haar, glimlacht en zucht: “Life is beautiful.”

We zouden bijna vergeten dat we gehaast zijn. “Het begint nu toch wel lang te duren,” zegt mijn vriendin. We proberen naambordjes langs de kant van de weg te spotten, kilometeraanduidingen te zoeken. We zien echter geen enkel teken dat we er bijna zijn. Alsof de chauffeur onze gedachten kan lezen, stopt hij en houdt een colectivo tegen die in de tegengestelde richting rijdt. Hij wenkt ons. We springen uit de passagiersbak en gaan bij zijn raampje staan. “Pochutla?” vraagt hij. We knikken. Hij wijst naar de andere colectivo. “Más rapido.” En hij tikt met zijn wijsvinger tegen de wijzerplaat van zijn horloge. De man met de trechterhoed reikt ons onze bagage aan, schenkt ons een lach en wrijft in zijn ogen alsof hij ons heel erg gaat missen.  We zwaaien, klimmen de andere colectivo in, waar we ons neerzetten naast een mollige Mexicaan met een cowboyhoed.

"Wel een beetje vreemd dat we nu in de tegenovergestelde richting rijden," bedenken we ons. We hebben nog vijftig minuten. "De chauffeur zal wel gelijk hebben," stellen we onszelf gerust, "straks slaan we wel een andere weg in." Eén die ons rechtstreeks naar Pochutla zal leiden. We hebben toch klaar en duidelijk gezegd dat we in Pochutla moeten zijn?

De colectivo blijft de kustbaan volgen. Nog veertig minuten voor onze nachtbus vertrekt. De zon is inmiddels bijna onder. Het schemert, zodat we niet precies kunnen zien waar we zijn. Maar komt dit kerkje ons niet bekend voor? En zou het kunnen dat we dat café daarstraks ook zijn voorbijgereden?  Dit is fout. Dit is helemaal fout. “Stop!” roepen we. En de colectivo stopt. We springen uit de passagiersbak, sleuren onze rugzakken van het dak en zien enkele meters verderop, vlakbij een aardeweg, een houten bordje. Een blauw bordje waar in gele krullerige letters ‘Mazunte’ op staat geschilderd. De moed zinkt ons in de schoenen.

Onze colectivo gaat de bocht om en verdwijnt uit het zicht. Het is muisstil op straat. We zijn overgeleverd aan onszelf en onze rugzakken. Wat nu? We hebben nog maar dertig minuten. We horen geschuifel van voetstappen dat dichterbij komt. Een intussen welbekende stem weerklinkt.“Tranquil!”  De oude man met de lendedoek wandelt naar ons toe en zwaait met zijn armen. “Tranquil! Tranquil!”
“No tranquil!” roepen wij terug. Paniekerig kijken we naar de straat. Nog steeds is er geen enkel voertuig te zien. We raken hier nooit meer weg. Hier rijden ze enkel in cirkels. Dit is The Blair Witch Project. Weer gaan de armen van de man aan het zwaaien en weer moeten we van hem rustig gaan neerzitten. “Tranquil!”

Dan zien we in de verte een voertuig aankomen. Het is een taxi. We steken onze handen in de lucht, springen op en neer. Hier! Hier! De oude man zwaait met ons mee. De taxi stopt. “Pochutla,” hijgen we, “Rapido!”

De taxichauffeur raast naar Pochutla alsof zijn leven ervan afhangt. Voorovergebogen hangt hij over zijn stuur, zijn blik strak op de weg gericht, als in een achtervolgingsscène. We juichen als hij inhaalt in de bochten, juichen als hij door het rood rijdt. Als we die rotbus maar halen.
Net op het moment dat we Pochutla binnenrijden, steken we een colectivo voorbij. Een mollige man met een cowboyhoed zit op de achterbank. Hij merkt ons op. Zwaait naar ons. Aan zijn blik te zien, herkent hij ons…

We kunnen onszelf wel voor het hoofd slaan. Wisten wij veel dat je in twee verschillende richtingen naar Pochutla kan rijden. ‘Bus’ en ‘Mexico’ zijn echt een slechte combinatie.





Mushroom Shake



Met tot spleetjes geknepen ogen speur ik de baai rond. Geen bar, geen winkeltje, geen kraam. Zelfs geen op de grond gevallen kokosnoot om open te breken. Waar we ongetwijfeld een halve dag over zouden doen. Maar heb ik zoveel dorst, dat ik het nog zou proberen.

Het is onze eerste dag op het eiland. Sinds vanmorgen zijn we aan het wandelen, Mike en ik. Het pad dat we willekeurig hebben gekozen, leidde ons langs dorpjes, doorheen een bos, naar een verlaten tempel – afgezien van de aap die de ingang leek te bewaken – en een kerkhof met gouden torentjes op de graven. Nu slenteren we blootvoets over een verlaten strandje dat wordt omringd door steile grijze rotsen. Het zand is melkwit, alsof de zon het heeft verbleekt, en schuurt als dikke korrels rietsuiker onder mijn voetzolen. Terwijl ik me er doorheen ploeg, graai ik naar mijn waterfles, die in de zijzak van mijn stoffig rugzakje hangt, en schud de laatste druppels in mijn keelgat. Ze smaken naar badwater en plastiek.

“We moeten écht iets drinken,” zeg ik.
Mike knikt. Hij doet geen moeite meer om iets te zeggen. Zijn bleke huid is inmiddels helemaal rood geworden zodat ik voortdurend aan zongedroogde tomaten moet denken. Hij tuurt door het schermpje van zijn fototoestel, wat hij wel vaker doet, meestal wanneer hij denkt een dier te hebben gespot in de verte.

“Daar!” lacht hij opeens, en wijst naar de rots aan de linkerkant.
“Waar? Waar?” Ik schrik van mijn eigen gebrul. Ik klink als een drenkeling die hoopt dat er land in zicht is. Ik zie helemaal niets, behalve de grote grijze rots.

“Bovenóp de rots,” juicht hij, alsof hij net een schat heeft ontdekt. Hij begint steviger door te stappen. Ik haast me achter hem aan. Aan de voet van de rots begint een smalle metalen trap. Aan de rotswand, ter hoogte van de eerste trede, hangt een zwart bordje met in fluogele letters “bar” en een pijl die naar boven wijst. Een honderdtal gemene treden, voor we verlichting zullen vinden. We halen allebei diep adem en hijsen onszelf zo snel mogelijk naar boven.

Voor ons ligt een terras, met vier lage, houten tafeltjes met ligkussens errond, naast de ingang van een grot. In de mond van de grot staat een toog, aan de wanden hangen felgekleurde vlaggen en er speelt goa-muziek. Er zit één koppeltje in kleermakerszit op de kussens, de man begroet ons met een korte “Hi” . Een meisje komt uit de grot, wandelt ons tegemoet. Ze is gekleed in een kort zwart jurkje en goudkleurige havaianas.

“Welcome!” knikt ze vrolijk.
“Nice to meet you,” zegt Mike, “Can I have a coke please?”
“We don’t have coke,” zegt het meisje.
“Do you have pineapple shake?” vraag ik. Sinds ik in Zuid-Oost-Azië ben, ben ik verslingerd aan vruchtenshakes. Banaan, mango, kokosnoot, ze zijn allemaal heerlijk. Nu hoop ik op ananas. Ananas zou me heel gelukkig maken.
“We have mushroom shake,” zegt het meisje.
Mike en ik kijken elkaar aan. Mushroom shake kennen we nog niet. Maar dat is niet erg.
“Okay,” knikken we. “Two mushroom shakes.”

Vijf minuten later staan er twee grijze drankjes in een lang cocktailglas op onze tafel. Ik heb nog nooit een grijs drankje gezien. Meteen nemen we een slok, want het is fris, het is vloeibaar. Ook al is het paddenstoel. Ik voel mijn uitgedroogde slokdarm meteen opknappen. Ook Mike kijkt opgelucht. Drank! We hebben drank!
“Hoe vind je het?” vraag ik.
Mike aarzelt. “Het is euh…”
“Ja.”
“Het smaakt naar… gemalen muis?”
“Een stuk karton dat in de blender is gegooid?”

Het koppel dat twee tafels verderop zit, is dezelfde grijze shake aan het drinken. Hun glazen zijn bijna leeg. En ze zijn net luidop aan het lachen.
“Het zal wel aan ons liggen,” zeg ik sussend. De Aziatische keuken is meestal fantastisch. Ik vind het heerlijk om  ‘nieuwe’ etenswaren te ontdekken op marktjes en aan kraampjes, ook al proef ik af en toe iets dat ik raar of vies vind smaken, zoals zwarte ice-tea, chips met zeewiersmaak, gedroogde vis of een stuk durian-vrucht. Maar dat hoort er allemaal bij.

Wanneer de rekening komt, schrikken we. Omgerekend kost één mushroom shake vijftien euro. Vijftien euro! We hebben de afgelopen dagen nooit meer dan drie euro betaald voor een cocktail. Deze paddenstoelen moeten wel een delicatesse zijn, zeggen we tegen elkaar. Zo’n beetje zoals koffie Kopi Loewak, op basis van koffiebonen van uitwerpselen. Misschien groeien die paddenstoelen maar op één plek ter wereld en kunnen ze maar op één specifieke dag per jaar geplukt worden, bij volle maan, ergens in een grot waar je vijf uur lang met een klein bootje via woest water naartoe moet varen, om vervolgens met een smalle ladder dertig meter naar boven te klimmen om de aan paddenstoelen te kunnen, waarbij je intussen belaagd wordt door vleesetende vleermuizen. Zoiets. Vijftien euro is bibbergoud.

We betalen, zwaaien het meisje en het koppel gedag en dalen af naar het strand. Zwijgend wandelen we over het natte zand, waar we onze tenen het zeewater laten kussen.
“Weet je…” zeg ik aarzelend, “die paddenstoelen…”
“Ja,” zegt Mike, “ik besef het nu ook.”
De zon zakt langzaam achter de horizon en kleurt de wolkenslierten oranje. Ik vraag me af of ik dit soort oranje al ooit heb gezien.Het lauwe zonlicht werpt lange donkere schaduwen op de rotsen. Fonkelen ze? Vibreren ze? Maak ik mezelf iets wijs?
“Jij hebt je glas ook helemaal leeggedronken, hé?” vraag ik.
“Ja.”
“Voel jij iets?”
“Ik weet het niet…”
“Misschien komt het nog…”


We zetten onze weg verder, traag wandelend, over het aarden pad dat in de richting van onze hostel loopt. Tenminste, dat hopen we. We staren naar de schoolmeisjes die ons voorbijfietsen, zien een brommerrijder die een varken op zijn bagagedrager heeft gebonden,  witgele franchipani-bloemen die in de struiken hangen. Paddenstoelen of niet, een mooie wandeling is het wel.