Terwijl
ik nippend van een beker bier dansende mensen observeer in de tuin van de
reggaebar, ploft hij neer in de stoel naast de mijne. Zijn vingers roffelen
tegen de plastieken armleuningen, op het ritme van de muziek. Zijn ogen
glinsteren, zijn lach lijkt op die van Cheshire Cat uit Alice in Wonderland. “First
time here? Do you like it?”
Hij
blijft maar vragen stellen. Heet me welkom in Chiang Mai. Omdat hij van Alice
in Wonderland houdt – wat blijkt wanneer ik hem vertel over zijn Cheshire Cat-lach – en omdat hij weet wat capibara’s zijn, blijf ik zitten. Ook al is
hij vlot. Normaal wantrouw ik vlot. Grijnzend schakelt hij van Engels naar
Frans naar Spaans naar Arabisch. Zijn kledij lijkt Amerikaans, zijn ogen en
neus Italiaans of Noord-Afrikaans. We vinden dat we elkaars nationaliteit maar moeten raden,
houden dat een halfuur vol en geven dan toe dat we elkaar nog steeds niet
kunnen situeren. Toch blijken we uiteindelijk niet ver van elkaar te zijn
geboren. Hij is afkomstig van Parijs. Het werk van zijn Algerijnse vader bracht
hem jaren geleden naar de Verenigde Staten. Zijn eigen werk bracht hem vorig
jaar naar hier, naar Chiang Mai, Thailand.
Hij
stelt me voor aan Jessica, een Australische vriendin van hem, die
zelfgevlochten armbandjes verkoopt om haar huur te betalen. Aan de dj van
vanavond, Jack, die voor Lonely Planet schrijft. Aan de barman, Chula, een Thai
uit Phuket, met een grote collectie rootsrockplaten. Hij kribbelt adresjes voor
me neer, tekent plattegronden op een servet waarop in iedere hoek palmbomen
staan getekend. Welke guesthouse gezellig is, welk dorpje ik zeker moet
bezoeken, welk wandelpad bijna niemand kent en heel erg de moeite is.
We
blijven praten. Dansen. Tussen backpackers met dreadlocks en flodderbroeken,
Thaise jongeren met gekleurde lokken, in strakke jeans, expats en couchsurfers.
Soepel beweegt hij tussen iedereen door, lijkt hen allemaal te kennen,
verdwijnt, verschijnt, verdwijnt. Checkt of ik me amuseer. Wanneer
het weer licht wordt, biedt hij me een lift aan. Op zijn limoengroene scooter
rijden we naar mijn hostel, zigzaggend door de smalle stegen van Chiang Mai.
Hij kent zijn weg.
Ik
verwacht geen mails en ze komen toch. Tijdens mijn Thailandtrip, en daarna.
Zijn werk brengt hem verder. Naar Rome, Londen, Berlijn, Shanghai en Dubai.
Steden die ooit het centrum van de wereld waren of zouden kunnen worden. Ik zou
meteen ruilen. Het leven leiden dat hij leidt, vinger aan de pols, deel zijn
van duizenden levens die elkaar kruisen. Bewegen van de ene stad naar de
andere. Mensen kennen uit alle hoeken van de wereld. Misschien durf ik niet te springen, down the rabbithole, om konijnen na te jagen, zoals
Alice. Hij raast van het ene avontuur naar het andere. Kost hem geen enkele
moeite. Zegt hij. “The hardest part is leaving,” schrijft hij me, iedere keer als
hij van plek wisselt. Hij vindt altijd zijn weg.
Jaren
later staat hij me op te wachten aan het spoor in Paris-Nord. Enkele kilo’s
zwaarder, enkele haren minder. Zijn pas is trager, wat niet kan liggen aan mijn
rugzak die hij per sé voor me wil dragen, ik heb amper bagage bij. Hij lijkt
gewoon moe. Dagenlang wandelen we door Parijs. Van Centre Pompidou naar Père
Lachaise, langs terrassen aan de Seine, door de vele parken. Hij houdt zijn
smartphone in zijn hand, Google Maps wijst hem de weg. “Het is te lang geleden,”
verontschuldigt hij zich.
We
schuimen interieurwinkels af. Er moeten kasten worden besteld, een tafel, een
bed, potten en pannen gekocht. We gaan langs kledingwinkels. Voor het eerst
heeft hij meer nodig dan vijf t-shirts en twee broeken. “I
finally have a home,” lacht hij. “A real one.” Tussendoor solliciteert hij. Kan alvast een
jaarcontract krijgen. Liefst wil hij er één voor onbepaalde duur.
In zijn
piepklein appartement leven we op de vloer, in kleermakerszit. Er ligt een
matras, er staan twee kartonnen dozen met kleren en boeken, in een hoek ligt
zijn laptop en zijn fototoestel. Met daar bovenop vijf propvolle
geheugenkaarten. Meer heeft hij niet.
Na
enkele dagen wordt de piano geleverd. Een digitale piano, op statief, die net
past naast zijn matras in de slaapkamer van zes vierkante meter. ’s Ochtends
wekt hij me met steeds hetzelfde lied, La valse d’Amélie van Yann Tierssen. "Zo 'Parijs' van jou", plaag ik hem. "Ga je me daar elke dag mee wakker maken?" Hij lacht niet terug. La valse d’Amélie
klinkt nog niet zoals het moet. Hij hamert, hakkelt, stottert, beukt op de
toetsen. Alsof hij Parijs weer in zijn vingers en in zijn lijf moet krijgen.
Omdat we
de vloer van het appartement snel beu zijn, picknicken we veel in het park. In
Parijse stijl, met kaas, wijn en vers stokbrood. Soms komen kennissen van hem
ons gezelschap houden. Argentijnen, Spanjaarden, Zweden, die hij kent via
couchsurfing. Geen Parijzenaars. Allemaal zijn we buitenlanders in deze stad.
Tijdens
onze wandelingen belt zijn moeder af en toe. Of hij niet wat meer op bezoek
komt, nu hij weer in Parijs woont. Hun gesprekken duren nooit langer dan twee
minuten. Zijn moeder is nooit verder geraakt dan Marseille, zegt hij. Ze
begrijpt hem niet. Ook onze gesprekken beginnen stil te vallen. Google Maps op
zijn smartphone wordt steeds meer een reden om niet langer mijn richting uit te
kijken. Het wordt tijd dat ik weer eens naar België ga, beslis ik, nu met weinig
tegenzin.
Wanneer
we opnieuw aan het spoor staan in Paris-Nord, pols ik of hij me gaat mailen.
Hij zegt niet uitdrukkelijk ja, maar zwaait terwijl ik de trein opstap. Ik zie
een kleine zweem Cheshire cat op zijn gezicht verschijnen. Gelukkig. En dan
verdwijnt hij, tussen de massa in het station, met zijn smartphone in zijn hand
geklemd.
The
hardest part is not leaving, denk ik, wanneer ik met de Thalys naar Brussel rijd. The hardest part is coming back.