Het boottochtje in de
mangrove had langer geduurd dan verwacht. Dat was niet zo erg omdat de vogels,
waterplanten en baby-alligators mooi waren, erger omdat
de gids, die eerst een serieuze man leek, mijn vriendin en mij te pas en te
onpas lastig viel door alligators en muggen te imiteren, maar het ergste omdat we onze bus moesten halen.
‘Bus’ en ‘Mexico’ waren tot nu toe een slechte combinatie geweest. Op weg naar de tempels van
Teotihuacán was ik de enige trui die ik had meegenomen naar Mexico kwijtgeraakt. De bus van Mexico-Stad naar Oaxaca hadden we gemist door een
monsterfile in het centrum, waardoor we opnieuw tickets moesten kopen. De busrit
van Oaxaca naar Pochutla was zo kronkelig dat we urenlang verstijfd, met
opeengeklemde kaken voor ons uit hadden gestaard in een poging ons ontbijt niet
over onze medepassagiers heen te kotsen. En toen hadden we even genoeg bus
gehad. Gelukkig bestaat het kustdorpje Mazunte vooral uit strand, zee en
mangroves. Er is maar één geasfalteerde straat. Vanavond moeten we echter in
de dichtstbijzijnde stad Pochutla geraken, om er de nachtbus te nemen.
“Colectivo,” had de
man van wie we een cabaña huurden gezegd. Zo’n minibus die passagiers
oppikt langs de kant van de weg zou de beste manier zijn om Pochutla te
bereiken.
Hijgend en puffend
haasten we ons naar de enige officiële straat. Nergens staat iets aangeduid dat
wijst op een colectivostopplaats. Dus planten we ons strategisch neer naast een
blauw naambordje waarop in gele krullerige letters “Mazunte” staat geschilderd.
Het glinstert in de namiddagzon. Nauwlettend houden we de straat in de gaten.
Nog anderhalf uur en de nachtbus in Pochutla vertrekt.
Er komt een oude man
naar ons toe gestrompeld. Hij draagt enkel een witte lendendoek om zijn
magere lijf. “Colectivo!” roept hij. Zijn armen zwieren door de lucht en zijn
smalle voeten wankelen onder zijn pezige lichaam. Speekseldruppeltjes sproeiend
komt hij bij ons staan. “Colectivo! Aquí!” roept hij. Jaja, dat weten we,
knikken we. Komt goed.
“Tranquil!” brult hij
opeens. “Tranquil!” En hij maakt molenwiekend duidelijk dat we rustig moeten blijven
zitten. Dat we rustiger zouden zijn als hij niet zo zou armzwaaien, krijgen we
niet uitgelegd. Gelukkig komt er even later een minibusje aangereden. We doen
teken, de colectivo stopt. De oude man strompelt weg, alsof zijn dagtaak erop
zit. De colectivo vertrekt.
Naast ons op de bank
zitten drie mensen, een man met een kip op zijn schoot, een vrouw met een vrolijk rond gezicht
die zachtjes neuriet en een backpacker met houten oorringen en een vlecht die
tot aan zijn knieën reikt. De colectivo volgt de kustweg en brengt ons langs
dorpjes. Felgekleurde vlaggetjes overspannen de
straten. Af en toe duikt tussen de huizen een stuk zee, een streep strand op.
De zon zakt langzaam weg achter de daken. Mensen stappen op en af. Eén man met
een trechtervormige strohoed op zijn hoofd lijkt het prettig te vinden om aan
de achterkant van het busje te gaan hangen. Ik vermoed dat hij zo een beter
zicht heeft op mijn vriendin. Hij staart naar haar, glimlacht en zucht: “Life
is beautiful.”
We zouden bijna
vergeten dat we gehaast zijn. “Het begint nu toch wel lang te duren,” zegt mijn
vriendin. We proberen naambordjes langs de kant van de weg te spotten,
kilometeraanduidingen te zoeken. We zien echter geen enkel teken dat we er bijna
zijn. Alsof de chauffeur onze gedachten kan lezen, stopt hij en houdt een
colectivo tegen die in de tegengestelde richting rijdt. Hij wenkt
ons. We springen uit de passagiersbak en gaan bij zijn raampje staan.
“Pochutla?” vraagt hij. We knikken. Hij wijst naar de andere colectivo. “Más
rapido.” En hij tikt met zijn wijsvinger tegen de wijzerplaat van zijn horloge.
De man met de trechterhoed reikt ons onze bagage aan, schenkt ons een lach en
wrijft in zijn ogen alsof hij ons heel erg gaat missen. We zwaaien,
klimmen de andere colectivo in, waar we ons neerzetten naast een mollige
Mexicaan met een cowboyhoed.
"Wel een beetje vreemd
dat we nu in de tegenovergestelde richting rijden," bedenken we ons. We hebben
nog vijftig minuten. "De chauffeur zal wel gelijk hebben," stellen we onszelf
gerust, "straks slaan we wel een andere weg in." Eén die ons rechtstreeks naar
Pochutla zal leiden. We hebben toch klaar en duidelijk gezegd dat we in
Pochutla moeten zijn?
De colectivo blijft de
kustbaan volgen. Nog veertig minuten voor onze nachtbus vertrekt. De zon is
inmiddels bijna onder. Het schemert, zodat we niet precies kunnen zien waar we
zijn. Maar komt dit kerkje ons niet bekend voor? En zou het kunnen dat we dat
café daarstraks ook zijn voorbijgereden? Dit is fout. Dit is helemaal
fout. “Stop!” roepen we. En de colectivo stopt. We springen uit de
passagiersbak, sleuren onze rugzakken van het dak en zien enkele meters
verderop, vlakbij een aardeweg, een houten bordje. Een blauw bordje waar in
gele krullerige letters ‘Mazunte’ op staat geschilderd. De moed zinkt ons in de
schoenen.
Onze colectivo gaat de
bocht om en verdwijnt uit het zicht. Het is muisstil op straat. We zijn
overgeleverd aan onszelf en onze rugzakken. Wat nu? We hebben nog maar dertig
minuten. We horen geschuifel van voetstappen dat dichterbij komt. Een intussen
welbekende stem weerklinkt.“Tranquil!” De oude man met de lendedoek
wandelt naar ons toe en zwaait met zijn armen. “Tranquil! Tranquil!”
“No tranquil!” roepen
wij terug. Paniekerig kijken we naar de straat. Nog steeds is er geen enkel
voertuig te zien. We raken hier nooit meer weg. Hier rijden ze enkel in
cirkels. Dit is The Blair Witch Project. Weer gaan de armen van de man aan het
zwaaien en weer moeten we van hem rustig gaan neerzitten. “Tranquil!”
Dan zien we in de
verte een voertuig aankomen. Het is een taxi. We steken onze handen in de
lucht, springen op en neer. Hier! Hier! De oude man zwaait met ons mee. De taxi
stopt. “Pochutla,” hijgen we, “Rapido!”
De taxichauffeur raast
naar Pochutla alsof zijn leven ervan afhangt. Voorovergebogen hangt hij over
zijn stuur, zijn blik strak op de weg gericht, als in een achtervolgingsscène.
We juichen als hij inhaalt in de bochten, juichen als hij door het rood rijdt.
Als we die rotbus maar halen.
Net op het moment dat
we Pochutla binnenrijden, steken we een colectivo voorbij. Een mollige man met
een cowboyhoed zit op de achterbank. Hij merkt ons op. Zwaait naar ons. Aan
zijn blik te zien, herkent hij ons…
We kunnen onszelf wel voor
het hoofd slaan. Wisten wij veel dat je in twee verschillende richtingen naar
Pochutla kan rijden. ‘Bus’ en ‘Mexico’ zijn echt een slechte combinatie.