zondag 14 februari 2016

Weer vertrokken



Ik ben weer vertrokken. Ik heb in de rivier op een autoband gedobberd, karaoke gezongen met een groep schoolkinderen, een bergrit gemaakt achterin een pick-up truck. Ambitieuze plannen gesmeed. Thuis: Ligkussens installeren op het terras. ‘s Ochtends pineapple shakes maken. Meer glimlachen naar onbekenden. Meer praten met onbekenden. Dagelijks yoga-oefeningen doen tijdens zonsopgang. De helft van mijn spullen wegschenken. Spaans leren.

Ik heb een hele avond doorgebracht op de veranda van een gitaarspelende Thaise vrouw en haar kinderen, rondgereden op een brommer – 125cc! -, aapjes gevoederd en mijn haarspeld laten afpakken – ik heb iemand ontmoet die precies weet hoe laat het is, aan de hand van vogelgefluit. Ik heb tien nieuwe vrienden gemaakt, tot diep in de nacht gepraat, gelachen, gerookt, gedronken.

Nu is iedereen weer vertrokken. De facebookprofielen zijn aangevuld. De gmails en hotmails uitgewisseld. De foto’s getrokken, de herinneringen neergepend in reisdagboeken. Iedereen moest verder. Dus ik ook. Hoogtepunten herbeleven op dezelfde plekken heeft geen zin. Een mens moet af en toe een bus nemen. Of een boot, in mijn geval. Naar het eiland Koh Phan Gan. Nieuwe mensen, nieuwe ideeën, nieuwe paden, nieuwe stromen.

Ik ben hier nu enkele dagen. En ik wil opnieuw vertrekken. De  backpackers die ik hier heb ontmoet,  de Britten Jack, Sam en Jason, zijn speciaal naar hier gekomen voor de full moon party, om er de hele nacht op het strand te fuiven, te zuipen, te snuiven, te slikken. De full moon party is pas over enkele dagen, dus bereiden Jack, Sam en Jason zich voor door alvast elke dag te fuiven, te zuipen, te snuiven en te slikken. Ook hebben ze een gitaar bij   – in  de hoop een griet te scoren – en spelen elke avond in de tuin van de hostel “No woman, no cry.” Alleen maar “No woman, no cry.”

Mijn hostel wordt uitgebaat door Dave, een Australiër die enkele jaren geleden verliefd werd op Thailand, ooit het hipste hostel van Koh Phan Gan wilde bouwen, maar nu “niets gedaan krijgt in dit rotland”, zodat de helft van de kamers nog gebouwd moet worden en er nog steeds geen stromend water is. Zijn enige lichtpunt is zijn Thaise vrouw die Bunny heet of zich alleszins zo laat noemen, die haar fotomodellenbenen dagelijks in roze hotpants stopt en aan thai boxing doet. Dave moppert en timmert.

Sarah, met wie ik een kamer deel, is mooier dan Gisele Bündchen, en is of doet elk moment van de dag euforisch. Zelfs wanneer ze naar het toilethok spurt wegens traveller’s disease. Dat er geen stromend water is, stoort haar niet, waterleidingen zijn westers en verwerpelijk. Blootvoets wandelt ze de dag door en kribbelt ze ideeën neer - in een boekje dat gemaakt is van papier op basis van olifantenuitwerpselen - voor het yoga centrum dat ze wil starten in San Francisco en dat ze Bali Ganesja Utkatasana Love wil noemen. Toen ik vanmorgen opperde dat Bali Ganesja Utkatasana Love niet zo’n heel erg commerciële naam is, heeft ze niets meer tegen me gezegd.  Ik ben gestopt met praten. Gestopt met foto’s trekken, e-mailadressen uitwisselen, herinneringen neerpennen. Ik wil graag weer vertrekken.

Ik huur een fiets. Rij, in het wilde weg, geen idee waar naartoe. Een bar langs de kant van de straat, waar drie Thaise vrouwen me opmerken. “It’s too hot!” schatert één van hen. “Take a tuk-tuk!” De zweetdruppels staan al op mijn lippen. Maar ik lach, steek mijn hand op. Deze naïeve toerist gaat verder fietsen. Twintig minuten later bonst mijn hart in mijn hoofd, bibberen mijn benen, lijkt het asfalt uit zichzelf te bewegen. Ik stap af, maak mijn fiets vast aan een boom en ga te voet verder. Ik merk een winkeltje op, met een spirit house naast de toegangsdeur – een kleine kleurige tempel op een paal, om de geesten te vereren. Ik koop er een cola en vervolg mijn weg. Ik sla een paadje in dat naar beneden loopt. Twee wandelaars komen me tegemoet, knikken “Hi” naar me, kijken opnieuw voor zich uit en stappen verder. Hun voetstappen ebben weg, maken plaats voor tsjirpende krekels. Het pad kronkelt traag naar beneden. Hier en daar een modderplas, als herinnering aan de dagelijkse moessonregen.

Hoe langer ik het pad naar beneden volg, hoe dichter de bomen bij elkaar komen. Hoe beter hun takken en bladeren me afschermen van de zon. Het krekelgetsjirp zwelt aan, de aarde wordt zompiger, het klatert in de verte. Onderaan het pad, verscholen tussen bomen en lianen, stroomt een waterval in een poel. Omgeven door struiken en grijze gladde rotsen. Aan de overkant van de poel schiet een varaan door het struikgewas. Even stopt hij, draait zijn kop in mijn richting. Daarna verdwijnt hij weer. Een streep zon valt in de poel en kleurt het water lichtgroen.

Ik schop mijn sandalen uit. Trek mijn jurk over mijn hoofd. Ik hurk neer op de grote vlakke rotsen aan de rand van de poel en laat me in het water glijden. Steeds dieper, tot ik met mijn tenen de bodem kan voelen. Tot het water net onder mijn neus komt. Ik los op. Ik ben er. Ben er niet. Blijf gewoon staan. Minuten, kwartieren, uren. Maakt niets uit. Het is heerlijk. Voor het eerst. Alleen. Voor het eerst vind ik het heerlijk om alleen te zijn.

Ik wandel terug naar mijn fiets. Ik ben weer vertrokken.






Khao San Road


Ik wandel op een smal stuk trottoir in de schroeiende zon terwijl tuk-tuks, taxi’s en brommers langs me heen razen. Het is mijn eerste dag in Bangkok. De eerste dag van mijn eerste reis alleen. Mijn horloge geeft nog het Belgische uur aan, 7 uur ’s ochtends. Hier is het middag, 12 uur. Mijn hoofd zit vol wolken, ik lijk te zweven over het zwetende asfalt. Ik ben nog niet helemaal geland. Als ik de douanebeambte en de vrouw aan de balie van mijn hostel niet meetel, heb ik tot nu toe met niemand gesproken.

Het is maar een paar minuten wandelen naar Khao San Road, die in de reisgidsen wordt omschreven als dé backpackersstraat. Een paar jaar geleden ben ik er voor het eerst geweest en ik herinner me een vage haat-liefde-verhouding voor deze plek. Nu is het mijn enige aanknopingspunt. Mijn enige plan naast wakker blijven.

Honderden uithangborden aan de gevels roepen op tot consumptie, vermomd als toeristenplezier – “cheap hotel!” “fish massage!” “bus tickets!” “tattoo!” “exchange office!” “beer garden!” “overseas call!”.  Hostels wisselen af met reisbureaus, Irish pubs (“party all night!”), massagesalons, bars en restaurants met terrassen. Er is zelfs een McDonalds – met  clown Ronald McDonald in boeddhistische groethouding, die er desondanks nog steeds eng uitziet. Beide kanten van de straat zijn net als jaren geleden gevuld met kraampjes die aanbieden wat de doorsnee backpacker nodig heeft: rugzakken, zaklampen, reservebatterijen, goedkope t-shirts met het logo van Singha Beer. Voor de alternatieve hippie-reiziger zijn er houten tribaloorbellen, yin-yang halskettingen, harembroeken, tattoosshops, nepdreadlocks en  valse tattoosleeves.

Backpackers  flaneren tussen de kraampjes, praten druk met elkaar. Behalve ik. De kersvers gelande alleen-reiziger. Mijn schoenen nog niet afgetrapt en mijn kleren nog niet bestoft. Ik hunker naar Thais voedsel, maar op Khao San Road zijn er vooral hamburgers en frieten te verkrijgen. Uiteindelijk plant ik me neer op een terras waar een vrouw “Real pad thai!” staat te roepen om klanten te lokken en waar ik een perfect uitzicht heb over de straat.

Stromen van mensen wandelen, fietsen, rijden op hun brommers voorbij. Ze kopen, praten, eten, kopen, praten, fotograferen, kopen. Ik zie een mollige roodverbrande man met een yankeespet een slanke Thaise vrouw aan zijn arm, twee koppen kleiner dan hij. Drie zwalpende jongens met Singha Beer t-shirts en wallen onder hun ogen. Een Thaise jongen met dreadlocks en een rastamuts, wat nog vreemder aandoet dan een blanke jongen met dreadlocks en een rastamuts. Een man die zijn rugzak op zijn buik draagt uit angst om bestolen te worden. Westerse meisjes in Aziatische kleren. Thaise meisjes in westerse kleren. Een Indische man met tulband. Een boeddhistische monnik in een oranje gewaad, druk in gesprek met zijn gsm. Uren kan ik blijven zitten en kijken. Als de luchthaven van Bangkok de toegangspoort van Zuid-Oost-Azië is, dan is Khao San Road de inkomhal.

Maar ik moet landen. Praten. Mensen leren kennen. Mijn reis aanvatten,  me mengen tussen de mensen van Khao San Road. Sowieso heb ik teenslippers nodig. Hup, kopen, praten. Ik wurm me tussen de wirwar van backpackers en kraampjes. Wandel langs rijen bootleg-cd’s en t-shirts. Ik hoor Engels rond mij, Frans, Nederlands. Af en toe wil ik iets zeggen. Een vlot gesprek aanknopen. Een grappige opmerking maken. Maar ik kan niets bedenken.  De backpackers hebben het te druk, met kopen, met eten en drinken, met elkaar.

In het midden van de straat, ter hoogte van het zoveelste t-shirtkraam, zit een Thaise man op een plastieken stoel. Hij lijkt ongeveer vijftig jaar oud, is gekleed in een lang wit gewaad en draagt zijn zwarte haren in een lage paardenstaart.  Rond zijn nek hangen honderden parelkettingen. Hij merkt me op en wenkt me. “Come sit with me,” zegt hij. En hij schuift de plastieken stoel naast de zijne in mijn richting.

“You…” mompelt hij en kijkt me doordringend aan. “You are not open.”
“Yes I am,” zeg ik nadrukkelijk. Heel bewust. Mijn eerste gesprek in Thailand is een feit.
De paardenstaartman schudt zijn hoofd. “Let me help you.”
Voor ik het goed besef is hij dichter naar me toe geschoven, begint met zijn vingertoppen in mijn rug te poken en brabbelt iets onverstaanbaars over chakra’s. 
“You have to open up,” zegt hij streng. “Your chakra’s are blocked.”
“I feel great,” werp ik tegen. Als het echt waar is, dat ik niet "open" ben, denk ik, dan is het geen wonder dat niemand met me wil praten. En: Oh nee, geblokkeerde chakra’s!
“Relax,” zegt hij en knipt driemaal met zijn vingers in mijn oor.
Enkele backpackers houden halt en beginnen ons te bekijken. Eén van hen haalt zijn fototoestel boven. Nu heb ik hun aandacht, ja, nu wel.
En dan fluistert hij:
“You should come to my house. I will open your chakra’s there. I will show you amazing things.”

Genoeg. Ik sta recht. En ik wandel weer verder. “Too bad! Let me help you!” roept hij me achterna, terwijl de backpackers toekijken. Ik weet weer waarom ik een haat-liefde-verhouding heb met Khao San Road. En het zijn niet de hamburgers en de frieten.










Happy Yellow



Hij staart me aan. De spons staart me aan. Ik kan bijna zijn stemmetje horen. Ik geef hem bijna een naam. Joske. Of Niels. Waarom heeft deze spons een gezichtje? Waarom heeft de fles afwasmiddel een gezichtje? En de insektenverdelger? Zelfs het rattenvergif ziet er schattig uit, dankzij de afbeelding van een  huppelend pastelkleurig knaagdiertje op de verpakking. Van pennenzakken tot zakdoekjes, alle voorwerpen in Japanse supermarkten ogen vertederend, alsof ze thuishoren in een lieve roze tekenfilm. Maar wat als je nu een getatoeëerde zeebonk bent en je moet afwassen met een sponsje dat naar je lacht? En snuit de Japanse keizer zijn neus ook in zakdoekjes met roze Hello Kitty-katjes?

Na een voormiddag winkelen in het centrum van Tokyo, besluiten we iets nieuws te gaan ontdekken: een French Maid Café in Akihabara. Dat zou een themacafé zijn voor jong en oud, waar het personeel is verkleed als Franse dienstmeid.  Even later worden we inderdaad door vijf als dienstmeid opgemaakte meisjes verwelkomd in een felverlichte bar op de zevende verdieping van een flatgebouw. In het midden van de bar staan enkele lange tafels met plastieken zitkrukken, achteraan bevindt zich een podium. Her en der zitten de klanten, zowel gezinnen met kinderen als eenzame zakenmannen in kostuum. Hitsige popmuziek met schelle meisjesstemmen vult de ruimte.

Even bevreemdend als de mengeling van het cliënteel is het uiterlijk van de dienstmeiden. Zo draagt ‘onze’ meid sexy zwarte kniekousen, een kort pofrokje en een kanten hemdje. Anderzijds bengelen er knuffelbeesten aan de riem van haar rokje, heeft ze een gigantische luipaardenstrik in haar haar en beweegt ze als een zesjarig meisje. Ze overhandigt ons een menukaart met daarop de foto’s van alle dienstmeiden uit het café. Wij mogen kiezen welke meid ons moet bedienen. Wij zijn ‘master’ en ‘mistress’.  De meid moet buigingen maken en ons onderhouden met gesprekken, eten en drinken. We kunnen haar zelfs vragen of ze met een lepel voedsel in onze mond stopt.

Onze ice coffee komt met een witte schuimkraag. De meid vraagt welk dier ze erop mag tekenen met chocoladesaus.
“A mouse,” zeggen wij.
Theatraal legt ze haar wijsvinger tegen haar voorhoofd. “Mouse?” vraagt ze met een piepstem. Alsof ze niet weet hoe ze een muis moet tekenen. 
“Rabbit?” proberen we dan maar.
“Ooh rabbit!” Haar gezicht klaart op en ze maakt een vreugdesprongetje. Meteen tekent ze een konijn op het melkschuim. Vervolgens toont ze ons een assortiment rietjes. “Choose your color, please.”
“Yellow,” kiezen wij.
Alweer maakt ze een vreugdesprong en piept ze met een hoge stem. “Hooray! Happy yellow!”

Dan springen de spots op het podium aan en schalt er een mededeling uit de luidsprekers. Drie kleuters klimmen het podium op, vergezeld van een dienstmeid en vrolijke kindermuziek. Ze krijgen een diadeem met konijnenoren op hun hoofd en moeten lachend poseren voor de polaroidfoto. Hun handen een hartje vormend. Daarna is een oudere zakenman aan de beurt. Ook hij gaat gewillig met een dienstmeid op het podium staan, zet konijnenoren op zijn hoofd en maakt met zijn handen een hartje richting camera. Verbijsterd kijken we toe. Is dit nu een kinderfeestje of een kinky feestje? 

Na veel “happy yellow” en “happy drinks” moeten ook wij het podium op. Ik kies pluizige kattenoren. Moet mijn handen in de vorm van een hartje houden. Lachen.

Op de metro staren we naar onze polaroidfoto’s. Versierd met lachende gezichtjes, hartjes en sterretjes. De schelle popmuziek nog nagalmend in de oren. Iets verderop zit een krom oud vrouwtje. Ze draagt een mondmasker. Met Hello Kitty’s erop. In het roze.





The hardest part



Terwijl ik nippend van een beker bier dansende mensen observeer in de tuin van de reggaebar, ploft hij neer in de stoel naast de mijne. Zijn vingers roffelen tegen de plastieken armleuningen, op het ritme van de muziek. Zijn ogen glinsteren, zijn lach lijkt op die van Cheshire Cat uit Alice in Wonderland. “First time here? Do you like it?”

Hij blijft maar vragen stellen. Heet me welkom in Chiang Mai. Omdat hij van Alice in Wonderland houdt – wat blijkt wanneer ik hem vertel over zijn Cheshire Cat-lach – en omdat hij weet wat capibara’s zijn, blijf ik zitten. Ook al is hij vlot. Normaal wantrouw ik vlot. Grijnzend schakelt hij van Engels naar Frans naar Spaans naar Arabisch. Zijn kledij lijkt Amerikaans, zijn ogen en neus Italiaans of Noord-Afrikaans. We vinden dat we elkaars nationaliteit maar moeten raden, houden dat een halfuur vol en geven dan toe dat we elkaar nog steeds niet kunnen situeren. Toch blijken we uiteindelijk niet ver van elkaar te zijn geboren. Hij is afkomstig van Parijs. Het werk van zijn Algerijnse vader bracht hem jaren geleden naar de Verenigde Staten. Zijn eigen werk bracht hem vorig jaar naar hier, naar Chiang Mai, Thailand.

Hij stelt me voor aan Jessica, een Australische vriendin van hem, die zelfgevlochten armbandjes verkoopt om haar huur te betalen. Aan de dj van vanavond, Jack, die voor Lonely Planet schrijft. Aan de barman, Chula, een Thai uit Phuket, met een grote collectie rootsrockplaten. Hij kribbelt adresjes voor me neer, tekent plattegronden op een servet waarop in iedere hoek palmbomen staan getekend. Welke guesthouse gezellig is, welk dorpje ik zeker moet bezoeken, welk wandelpad bijna niemand kent en heel erg de moeite is.

We blijven praten. Dansen. Tussen backpackers met dreadlocks en flodderbroeken, Thaise jongeren met gekleurde lokken, in strakke jeans, expats en couchsurfers. Soepel beweegt hij tussen iedereen door, lijkt hen allemaal te kennen, verdwijnt, verschijnt, verdwijnt. Checkt of ik me amuseer. Wanneer het weer licht wordt, biedt hij me een lift aan. Op zijn limoengroene scooter rijden we naar mijn hostel, zigzaggend door de smalle stegen van Chiang Mai. Hij kent zijn weg.

Ik verwacht geen mails en ze komen toch. Tijdens mijn Thailandtrip, en daarna. Zijn werk brengt hem verder. Naar Rome, Londen, Berlijn, Shanghai en Dubai. Steden die ooit het centrum van de wereld waren of zouden kunnen worden. Ik zou meteen ruilen. Het leven leiden dat hij leidt, vinger aan de pols, deel zijn van duizenden levens die elkaar kruisen. Bewegen van de ene stad naar de andere. Mensen kennen uit alle hoeken van de wereld. Misschien durf ik niet te springen, down the rabbithole, om konijnen na te jagen, zoals Alice. Hij raast van het ene avontuur naar het andere. Kost hem geen enkele moeite. Zegt hij. “The hardest part is leaving,” schrijft hij me, iedere keer als hij van plek wisselt. Hij vindt altijd zijn weg.

Jaren later staat hij me op te wachten aan het spoor in Paris-Nord. Enkele kilo’s zwaarder, enkele haren minder. Zijn pas is trager, wat niet kan liggen aan mijn rugzak die hij per sé voor me wil dragen, ik heb amper bagage bij. Hij lijkt gewoon moe. Dagenlang wandelen we door Parijs. Van Centre Pompidou naar Père Lachaise, langs terrassen aan de Seine, door de vele parken. Hij houdt zijn smartphone in zijn hand, Google Maps wijst hem de weg. “Het is te lang geleden,” verontschuldigt hij zich.

We schuimen interieurwinkels af. Er moeten kasten worden besteld, een tafel, een bed, potten en pannen gekocht. We gaan langs kledingwinkels. Voor het eerst heeft hij meer nodig dan vijf t-shirts en twee broeken. “I finally have a home,” lacht hij. “A real one.” Tussendoor solliciteert hij. Kan alvast een jaarcontract krijgen. Liefst wil hij er één voor onbepaalde duur.

In zijn piepklein appartement leven we op de vloer, in kleermakerszit. Er ligt een matras, er staan twee kartonnen dozen met kleren en boeken, in een hoek ligt zijn laptop en zijn fototoestel. Met daar bovenop vijf propvolle geheugenkaarten. Meer heeft hij niet. 

Na enkele dagen wordt de piano geleverd. Een digitale piano, op statief, die net past naast zijn matras in de slaapkamer van zes vierkante meter. ’s Ochtends wekt hij me met steeds hetzelfde lied, La valse d’Amélie van Yann Tierssen. "Zo 'Parijs' van jou", plaag ik hem. "Ga je me daar elke dag mee wakker maken?" Hij lacht niet terug. La valse d’Amélie klinkt nog niet zoals het moet. Hij hamert, hakkelt, stottert, beukt op de toetsen. Alsof hij Parijs weer in zijn vingers en in zijn lijf moet krijgen.

Omdat we de vloer van het appartement snel beu zijn, picknicken we veel in het park. In Parijse stijl, met kaas, wijn en vers stokbrood. Soms komen kennissen van hem ons gezelschap houden. Argentijnen, Spanjaarden, Zweden, die hij kent via couchsurfing. Geen Parijzenaars. Allemaal zijn we buitenlanders in deze stad.

Tijdens onze wandelingen belt zijn moeder af en toe. Of hij niet wat meer op bezoek komt, nu hij weer in Parijs woont. Hun gesprekken duren nooit langer dan twee minuten. Zijn moeder is nooit verder geraakt dan Marseille, zegt hij. Ze begrijpt hem niet. Ook onze gesprekken beginnen stil te vallen. Google Maps op zijn smartphone wordt steeds meer een reden om niet langer mijn richting uit te kijken. Het wordt tijd dat ik weer eens naar België ga, beslis ik, nu met weinig tegenzin.

Wanneer we opnieuw aan het spoor staan in Paris-Nord, pols ik of hij me gaat mailen. Hij zegt niet uitdrukkelijk ja, maar zwaait terwijl ik de trein opstap. Ik zie een kleine zweem Cheshire cat op zijn gezicht verschijnen. Gelukkig. En dan verdwijnt hij, tussen de massa in het station, met zijn smartphone in zijn hand geklemd.


The hardest part is not leaving, denk ik, wanneer ik met de Thalys naar Brussel rijd. The hardest part is coming back.




Tranquil!



Het boottochtje in de mangrove had langer geduurd dan verwacht. Dat was niet zo erg omdat de vogels, waterplanten en baby-alligators mooi waren, erger omdat de gids, die eerst een serieuze man leek, mijn vriendin en mij te pas en te onpas lastig viel door alligators en muggen te imiteren, maar het ergste omdat we onze bus moesten halen.

‘Bus’ en ‘Mexico’ waren tot nu toe een slechte combinatie geweest. Op weg naar de tempels van Teotihuacán was ik de enige trui die ik had meegenomen naar Mexico kwijtgeraakt. De bus van Mexico-Stad naar Oaxaca hadden we gemist door een monsterfile in het centrum, waardoor we opnieuw tickets moesten kopen. De busrit van Oaxaca naar Pochutla was zo kronkelig dat we urenlang verstijfd, met opeengeklemde kaken voor ons uit hadden gestaard in een poging ons ontbijt niet over onze medepassagiers heen te kotsen. En toen hadden we even genoeg bus gehad. Gelukkig bestaat het kustdorpje Mazunte vooral uit strand, zee en mangroves. Er is maar één geasfalteerde straat. Vanavond moeten we echter in de dichtstbijzijnde stad Pochutla geraken, om er de nachtbus te nemen.
“Colectivo,” had de man van wie we een cabaña huurden gezegd. Zo’n minibus die passagiers oppikt langs de kant van de weg zou de beste manier zijn om Pochutla te bereiken.

Hijgend en puffend haasten we ons naar de enige officiële straat. Nergens staat iets aangeduid dat wijst op een colectivostopplaats. Dus planten we ons strategisch neer naast een blauw naambordje waarop in gele krullerige letters “Mazunte” staat geschilderd. Het glinstert in de namiddagzon. Nauwlettend houden we de straat in de gaten. Nog anderhalf uur en de nachtbus in Pochutla vertrekt.
Er komt een oude man naar ons toe gestrompeld. Hij draagt enkel een witte lendendoek om zijn magere lijf. “Colectivo!” roept hij. Zijn armen zwieren door de lucht en zijn smalle voeten wankelen onder zijn pezige lichaam. Speekseldruppeltjes sproeiend komt hij bij ons staan. “Colectivo! Aquí!” roept hij. Jaja, dat weten we, knikken we. Komt goed.

“Tranquil!” brult hij opeens. “Tranquil!” En hij maakt molenwiekend duidelijk dat we rustig moeten blijven zitten. Dat we rustiger zouden zijn als hij niet zo zou armzwaaien, krijgen we niet uitgelegd. Gelukkig komt er even later een minibusje aangereden. We doen teken, de colectivo stopt. De oude man strompelt weg, alsof zijn dagtaak erop zit. De colectivo vertrekt.

Naast ons op de bank zitten drie mensen, een man met een kip op zijn schoot, een vrouw met een vrolijk rond gezicht die zachtjes neuriet en een backpacker met houten oorringen en een vlecht die tot aan zijn knieën reikt. De colectivo volgt de kustweg en brengt ons langs dorpjes. Felgekleurde vlaggetjes overspannen de straten. Af en toe duikt tussen de huizen een stuk zee, een streep strand op. De zon zakt langzaam weg achter de daken. Mensen stappen op en af. Eén man met een trechtervormige strohoed op zijn hoofd lijkt het prettig te vinden om aan de achterkant van het busje te gaan hangen. Ik vermoed dat hij zo een beter zicht heeft op mijn vriendin. Hij staart naar haar, glimlacht en zucht: “Life is beautiful.”

We zouden bijna vergeten dat we gehaast zijn. “Het begint nu toch wel lang te duren,” zegt mijn vriendin. We proberen naambordjes langs de kant van de weg te spotten, kilometeraanduidingen te zoeken. We zien echter geen enkel teken dat we er bijna zijn. Alsof de chauffeur onze gedachten kan lezen, stopt hij en houdt een colectivo tegen die in de tegengestelde richting rijdt. Hij wenkt ons. We springen uit de passagiersbak en gaan bij zijn raampje staan. “Pochutla?” vraagt hij. We knikken. Hij wijst naar de andere colectivo. “Más rapido.” En hij tikt met zijn wijsvinger tegen de wijzerplaat van zijn horloge. De man met de trechterhoed reikt ons onze bagage aan, schenkt ons een lach en wrijft in zijn ogen alsof hij ons heel erg gaat missen.  We zwaaien, klimmen de andere colectivo in, waar we ons neerzetten naast een mollige Mexicaan met een cowboyhoed.

"Wel een beetje vreemd dat we nu in de tegenovergestelde richting rijden," bedenken we ons. We hebben nog vijftig minuten. "De chauffeur zal wel gelijk hebben," stellen we onszelf gerust, "straks slaan we wel een andere weg in." Eén die ons rechtstreeks naar Pochutla zal leiden. We hebben toch klaar en duidelijk gezegd dat we in Pochutla moeten zijn?

De colectivo blijft de kustbaan volgen. Nog veertig minuten voor onze nachtbus vertrekt. De zon is inmiddels bijna onder. Het schemert, zodat we niet precies kunnen zien waar we zijn. Maar komt dit kerkje ons niet bekend voor? En zou het kunnen dat we dat café daarstraks ook zijn voorbijgereden?  Dit is fout. Dit is helemaal fout. “Stop!” roepen we. En de colectivo stopt. We springen uit de passagiersbak, sleuren onze rugzakken van het dak en zien enkele meters verderop, vlakbij een aardeweg, een houten bordje. Een blauw bordje waar in gele krullerige letters ‘Mazunte’ op staat geschilderd. De moed zinkt ons in de schoenen.

Onze colectivo gaat de bocht om en verdwijnt uit het zicht. Het is muisstil op straat. We zijn overgeleverd aan onszelf en onze rugzakken. Wat nu? We hebben nog maar dertig minuten. We horen geschuifel van voetstappen dat dichterbij komt. Een intussen welbekende stem weerklinkt.“Tranquil!”  De oude man met de lendedoek wandelt naar ons toe en zwaait met zijn armen. “Tranquil! Tranquil!”
“No tranquil!” roepen wij terug. Paniekerig kijken we naar de straat. Nog steeds is er geen enkel voertuig te zien. We raken hier nooit meer weg. Hier rijden ze enkel in cirkels. Dit is The Blair Witch Project. Weer gaan de armen van de man aan het zwaaien en weer moeten we van hem rustig gaan neerzitten. “Tranquil!”

Dan zien we in de verte een voertuig aankomen. Het is een taxi. We steken onze handen in de lucht, springen op en neer. Hier! Hier! De oude man zwaait met ons mee. De taxi stopt. “Pochutla,” hijgen we, “Rapido!”

De taxichauffeur raast naar Pochutla alsof zijn leven ervan afhangt. Voorovergebogen hangt hij over zijn stuur, zijn blik strak op de weg gericht, als in een achtervolgingsscène. We juichen als hij inhaalt in de bochten, juichen als hij door het rood rijdt. Als we die rotbus maar halen.
Net op het moment dat we Pochutla binnenrijden, steken we een colectivo voorbij. Een mollige man met een cowboyhoed zit op de achterbank. Hij merkt ons op. Zwaait naar ons. Aan zijn blik te zien, herkent hij ons…

We kunnen onszelf wel voor het hoofd slaan. Wisten wij veel dat je in twee verschillende richtingen naar Pochutla kan rijden. ‘Bus’ en ‘Mexico’ zijn echt een slechte combinatie.





Mushroom Shake



Met tot spleetjes geknepen ogen speur ik de baai rond. Geen bar, geen winkeltje, geen kraam. Zelfs geen op de grond gevallen kokosnoot om open te breken. Waar we ongetwijfeld een halve dag over zouden doen. Maar heb ik zoveel dorst, dat ik het nog zou proberen.

Het is onze eerste dag op het eiland. Sinds vanmorgen zijn we aan het wandelen, Mike en ik. Het pad dat we willekeurig hebben gekozen, leidde ons langs dorpjes, doorheen een bos, naar een verlaten tempel – afgezien van de aap die de ingang leek te bewaken – en een kerkhof met gouden torentjes op de graven. Nu slenteren we blootvoets over een verlaten strandje dat wordt omringd door steile grijze rotsen. Het zand is melkwit, alsof de zon het heeft verbleekt, en schuurt als dikke korrels rietsuiker onder mijn voetzolen. Terwijl ik me er doorheen ploeg, graai ik naar mijn waterfles, die in de zijzak van mijn stoffig rugzakje hangt, en schud de laatste druppels in mijn keelgat. Ze smaken naar badwater en plastiek.

“We moeten écht iets drinken,” zeg ik.
Mike knikt. Hij doet geen moeite meer om iets te zeggen. Zijn bleke huid is inmiddels helemaal rood geworden zodat ik voortdurend aan zongedroogde tomaten moet denken. Hij tuurt door het schermpje van zijn fototoestel, wat hij wel vaker doet, meestal wanneer hij denkt een dier te hebben gespot in de verte.

“Daar!” lacht hij opeens, en wijst naar de rots aan de linkerkant.
“Waar? Waar?” Ik schrik van mijn eigen gebrul. Ik klink als een drenkeling die hoopt dat er land in zicht is. Ik zie helemaal niets, behalve de grote grijze rots.

“Bovenóp de rots,” juicht hij, alsof hij net een schat heeft ontdekt. Hij begint steviger door te stappen. Ik haast me achter hem aan. Aan de voet van de rots begint een smalle metalen trap. Aan de rotswand, ter hoogte van de eerste trede, hangt een zwart bordje met in fluogele letters “bar” en een pijl die naar boven wijst. Een honderdtal gemene treden, voor we verlichting zullen vinden. We halen allebei diep adem en hijsen onszelf zo snel mogelijk naar boven.

Voor ons ligt een terras, met vier lage, houten tafeltjes met ligkussens errond, naast de ingang van een grot. In de mond van de grot staat een toog, aan de wanden hangen felgekleurde vlaggen en er speelt goa-muziek. Er zit één koppeltje in kleermakerszit op de kussens, de man begroet ons met een korte “Hi” . Een meisje komt uit de grot, wandelt ons tegemoet. Ze is gekleed in een kort zwart jurkje en goudkleurige havaianas.

“Welcome!” knikt ze vrolijk.
“Nice to meet you,” zegt Mike, “Can I have a coke please?”
“We don’t have coke,” zegt het meisje.
“Do you have pineapple shake?” vraag ik. Sinds ik in Zuid-Oost-Azië ben, ben ik verslingerd aan vruchtenshakes. Banaan, mango, kokosnoot, ze zijn allemaal heerlijk. Nu hoop ik op ananas. Ananas zou me heel gelukkig maken.
“We have mushroom shake,” zegt het meisje.
Mike en ik kijken elkaar aan. Mushroom shake kennen we nog niet. Maar dat is niet erg.
“Okay,” knikken we. “Two mushroom shakes.”

Vijf minuten later staan er twee grijze drankjes in een lang cocktailglas op onze tafel. Ik heb nog nooit een grijs drankje gezien. Meteen nemen we een slok, want het is fris, het is vloeibaar. Ook al is het paddenstoel. Ik voel mijn uitgedroogde slokdarm meteen opknappen. Ook Mike kijkt opgelucht. Drank! We hebben drank!
“Hoe vind je het?” vraag ik.
Mike aarzelt. “Het is euh…”
“Ja.”
“Het smaakt naar… gemalen muis?”
“Een stuk karton dat in de blender is gegooid?”

Het koppel dat twee tafels verderop zit, is dezelfde grijze shake aan het drinken. Hun glazen zijn bijna leeg. En ze zijn net luidop aan het lachen.
“Het zal wel aan ons liggen,” zeg ik sussend. De Aziatische keuken is meestal fantastisch. Ik vind het heerlijk om  ‘nieuwe’ etenswaren te ontdekken op marktjes en aan kraampjes, ook al proef ik af en toe iets dat ik raar of vies vind smaken, zoals zwarte ice-tea, chips met zeewiersmaak, gedroogde vis of een stuk durian-vrucht. Maar dat hoort er allemaal bij.

Wanneer de rekening komt, schrikken we. Omgerekend kost één mushroom shake vijftien euro. Vijftien euro! We hebben de afgelopen dagen nooit meer dan drie euro betaald voor een cocktail. Deze paddenstoelen moeten wel een delicatesse zijn, zeggen we tegen elkaar. Zo’n beetje zoals koffie Kopi Loewak, op basis van koffiebonen van uitwerpselen. Misschien groeien die paddenstoelen maar op één plek ter wereld en kunnen ze maar op één specifieke dag per jaar geplukt worden, bij volle maan, ergens in een grot waar je vijf uur lang met een klein bootje via woest water naartoe moet varen, om vervolgens met een smalle ladder dertig meter naar boven te klimmen om de aan paddenstoelen te kunnen, waarbij je intussen belaagd wordt door vleesetende vleermuizen. Zoiets. Vijftien euro is bibbergoud.

We betalen, zwaaien het meisje en het koppel gedag en dalen af naar het strand. Zwijgend wandelen we over het natte zand, waar we onze tenen het zeewater laten kussen.
“Weet je…” zeg ik aarzelend, “die paddenstoelen…”
“Ja,” zegt Mike, “ik besef het nu ook.”
De zon zakt langzaam achter de horizon en kleurt de wolkenslierten oranje. Ik vraag me af of ik dit soort oranje al ooit heb gezien.Het lauwe zonlicht werpt lange donkere schaduwen op de rotsen. Fonkelen ze? Vibreren ze? Maak ik mezelf iets wijs?
“Jij hebt je glas ook helemaal leeggedronken, hé?” vraag ik.
“Ja.”
“Voel jij iets?”
“Ik weet het niet…”
“Misschien komt het nog…”


We zetten onze weg verder, traag wandelend, over het aarden pad dat in de richting van onze hostel loopt. Tenminste, dat hopen we. We staren naar de schoolmeisjes die ons voorbijfietsen, zien een brommerrijder die een varken op zijn bagagedrager heeft gebonden,  witgele franchipani-bloemen die in de struiken hangen. Paddenstoelen of niet, een mooie wandeling is het wel.