Ik ben
weer vertrokken. Ik heb in de rivier op een autoband gedobberd, karaoke
gezongen met een groep schoolkinderen, een bergrit gemaakt achterin een pick-up
truck. Ambitieuze plannen gesmeed. Thuis: Ligkussens installeren op het terras.
‘s Ochtends pineapple shakes maken. Meer glimlachen naar onbekenden. Meer
praten met onbekenden. Dagelijks yoga-oefeningen doen tijdens zonsopgang. De
helft van mijn spullen wegschenken. Spaans leren.
Ik heb
een hele avond doorgebracht op de veranda van een gitaarspelende Thaise vrouw
en haar kinderen, rondgereden op een brommer – 125cc! -, aapjes gevoederd en
mijn haarspeld laten afpakken – ik heb iemand ontmoet die precies weet hoe laat
het is, aan de hand van vogelgefluit. Ik heb tien nieuwe vrienden gemaakt, tot
diep in de nacht gepraat, gelachen, gerookt, gedronken.
Nu is
iedereen weer vertrokken. De facebookprofielen zijn aangevuld. De gmails en
hotmails uitgewisseld. De foto’s getrokken, de herinneringen neergepend in
reisdagboeken. Iedereen moest verder. Dus ik ook. Hoogtepunten herbeleven op
dezelfde plekken heeft geen zin. Een mens moet af en toe een bus nemen. Of een
boot, in mijn geval. Naar het eiland Koh Phan Gan. Nieuwe mensen, nieuwe
ideeën, nieuwe paden, nieuwe stromen.
Ik ben
hier nu enkele dagen. En ik wil opnieuw vertrekken. De backpackers die ik hier heb ontmoet, de Britten Jack, Sam en Jason, zijn speciaal
naar hier gekomen voor de full moon party, om er de hele nacht op het strand te
fuiven, te zuipen, te snuiven, te slikken. De full moon party is pas over
enkele dagen, dus bereiden Jack, Sam en Jason zich voor door alvast elke dag te
fuiven, te zuipen, te snuiven en te slikken. Ook hebben ze een gitaar bij – in
de hoop een griet te scoren – en spelen elke avond in de tuin van de
hostel “No woman, no cry.” Alleen maar “No woman, no cry.”
Mijn
hostel wordt uitgebaat door Dave, een Australiër die enkele jaren geleden
verliefd werd op Thailand, ooit het hipste hostel van Koh Phan Gan wilde
bouwen, maar nu “niets gedaan krijgt in dit rotland”, zodat de helft van de
kamers nog gebouwd moet worden en er nog steeds geen stromend water is. Zijn
enige lichtpunt is zijn Thaise vrouw die Bunny heet of zich alleszins zo laat
noemen, die haar fotomodellenbenen dagelijks in roze hotpants stopt en aan thai
boxing doet. Dave moppert en timmert.
Sarah,
met wie ik een kamer deel, is mooier dan Gisele Bündchen, en is of doet elk
moment van de dag euforisch. Zelfs wanneer ze naar het toilethok spurt wegens
traveller’s disease. Dat er geen stromend water is, stoort haar niet,
waterleidingen zijn westers en verwerpelijk. Blootvoets wandelt ze de dag door
en kribbelt ze ideeën neer - in een boekje dat gemaakt is van papier op basis
van olifantenuitwerpselen - voor het yoga centrum dat ze wil starten in San
Francisco en dat ze Bali Ganesja Utkatasana Love wil noemen. Toen ik vanmorgen
opperde dat Bali Ganesja Utkatasana Love niet zo’n heel erg commerciële naam
is, heeft ze niets meer tegen me gezegd.
Ik ben gestopt met praten. Gestopt met foto’s trekken, e-mailadressen
uitwisselen, herinneringen neerpennen. Ik wil graag weer vertrekken.
Ik huur
een fiets. Rij, in het wilde weg, geen idee waar naartoe. Een bar langs de kant
van de straat, waar drie Thaise vrouwen me opmerken. “It’s too hot!” schatert
één van hen. “Take a tuk-tuk!” De zweetdruppels staan al op mijn lippen. Maar
ik lach, steek mijn hand op. Deze naïeve toerist gaat verder fietsen. Twintig
minuten later bonst mijn hart in mijn hoofd, bibberen mijn benen, lijkt het
asfalt uit zichzelf te bewegen. Ik stap af, maak mijn fiets vast aan een boom
en ga te voet verder. Ik merk een winkeltje op, met een spirit house naast de
toegangsdeur – een kleine kleurige tempel op een paal, om de geesten te
vereren. Ik koop er een cola en vervolg mijn weg. Ik sla een paadje in dat naar
beneden loopt. Twee wandelaars komen me tegemoet, knikken “Hi” naar me, kijken
opnieuw voor zich uit en stappen verder. Hun voetstappen ebben weg, maken
plaats voor tsjirpende krekels. Het pad kronkelt traag naar beneden. Hier en
daar een modderplas, als herinnering aan de dagelijkse moessonregen.
Hoe
langer ik het pad naar beneden volg, hoe dichter de bomen bij elkaar komen. Hoe
beter hun takken en bladeren me afschermen van de zon. Het krekelgetsjirp zwelt
aan, de aarde wordt zompiger, het klatert in de verte. Onderaan het pad,
verscholen tussen bomen en lianen, stroomt een waterval in een poel. Omgeven
door struiken en grijze gladde rotsen. Aan de overkant van de poel schiet een
varaan door het struikgewas. Even stopt hij, draait zijn kop in mijn richting.
Daarna verdwijnt hij weer. Een streep zon valt in de poel en kleurt het water
lichtgroen.
Ik schop
mijn sandalen uit. Trek mijn jurk over mijn hoofd. Ik hurk neer op de grote
vlakke rotsen aan de rand van de poel en laat me in het water glijden. Steeds dieper, tot ik met mijn tenen de bodem kan voelen. Tot het water net
onder mijn neus komt. Ik los op. Ik ben er. Ben er niet. Blijf gewoon staan.
Minuten, kwartieren, uren. Maakt niets uit. Het is heerlijk. Voor het eerst.
Alleen. Voor het eerst vind ik het heerlijk om alleen te zijn.
Ik wandel terug naar mijn fiets. Ik ben weer vertrokken.