zondag 14 februari 2016

Weer vertrokken



Ik ben weer vertrokken. Ik heb in de rivier op een autoband gedobberd, karaoke gezongen met een groep schoolkinderen, een bergrit gemaakt achterin een pick-up truck. Ambitieuze plannen gesmeed. Thuis: Ligkussens installeren op het terras. ‘s Ochtends pineapple shakes maken. Meer glimlachen naar onbekenden. Meer praten met onbekenden. Dagelijks yoga-oefeningen doen tijdens zonsopgang. De helft van mijn spullen wegschenken. Spaans leren.

Ik heb een hele avond doorgebracht op de veranda van een gitaarspelende Thaise vrouw en haar kinderen, rondgereden op een brommer – 125cc! -, aapjes gevoederd en mijn haarspeld laten afpakken – ik heb iemand ontmoet die precies weet hoe laat het is, aan de hand van vogelgefluit. Ik heb tien nieuwe vrienden gemaakt, tot diep in de nacht gepraat, gelachen, gerookt, gedronken.

Nu is iedereen weer vertrokken. De facebookprofielen zijn aangevuld. De gmails en hotmails uitgewisseld. De foto’s getrokken, de herinneringen neergepend in reisdagboeken. Iedereen moest verder. Dus ik ook. Hoogtepunten herbeleven op dezelfde plekken heeft geen zin. Een mens moet af en toe een bus nemen. Of een boot, in mijn geval. Naar het eiland Koh Phan Gan. Nieuwe mensen, nieuwe ideeën, nieuwe paden, nieuwe stromen.

Ik ben hier nu enkele dagen. En ik wil opnieuw vertrekken. De  backpackers die ik hier heb ontmoet,  de Britten Jack, Sam en Jason, zijn speciaal naar hier gekomen voor de full moon party, om er de hele nacht op het strand te fuiven, te zuipen, te snuiven, te slikken. De full moon party is pas over enkele dagen, dus bereiden Jack, Sam en Jason zich voor door alvast elke dag te fuiven, te zuipen, te snuiven en te slikken. Ook hebben ze een gitaar bij   – in  de hoop een griet te scoren – en spelen elke avond in de tuin van de hostel “No woman, no cry.” Alleen maar “No woman, no cry.”

Mijn hostel wordt uitgebaat door Dave, een Australiër die enkele jaren geleden verliefd werd op Thailand, ooit het hipste hostel van Koh Phan Gan wilde bouwen, maar nu “niets gedaan krijgt in dit rotland”, zodat de helft van de kamers nog gebouwd moet worden en er nog steeds geen stromend water is. Zijn enige lichtpunt is zijn Thaise vrouw die Bunny heet of zich alleszins zo laat noemen, die haar fotomodellenbenen dagelijks in roze hotpants stopt en aan thai boxing doet. Dave moppert en timmert.

Sarah, met wie ik een kamer deel, is mooier dan Gisele Bündchen, en is of doet elk moment van de dag euforisch. Zelfs wanneer ze naar het toilethok spurt wegens traveller’s disease. Dat er geen stromend water is, stoort haar niet, waterleidingen zijn westers en verwerpelijk. Blootvoets wandelt ze de dag door en kribbelt ze ideeën neer - in een boekje dat gemaakt is van papier op basis van olifantenuitwerpselen - voor het yoga centrum dat ze wil starten in San Francisco en dat ze Bali Ganesja Utkatasana Love wil noemen. Toen ik vanmorgen opperde dat Bali Ganesja Utkatasana Love niet zo’n heel erg commerciële naam is, heeft ze niets meer tegen me gezegd.  Ik ben gestopt met praten. Gestopt met foto’s trekken, e-mailadressen uitwisselen, herinneringen neerpennen. Ik wil graag weer vertrekken.

Ik huur een fiets. Rij, in het wilde weg, geen idee waar naartoe. Een bar langs de kant van de straat, waar drie Thaise vrouwen me opmerken. “It’s too hot!” schatert één van hen. “Take a tuk-tuk!” De zweetdruppels staan al op mijn lippen. Maar ik lach, steek mijn hand op. Deze naïeve toerist gaat verder fietsen. Twintig minuten later bonst mijn hart in mijn hoofd, bibberen mijn benen, lijkt het asfalt uit zichzelf te bewegen. Ik stap af, maak mijn fiets vast aan een boom en ga te voet verder. Ik merk een winkeltje op, met een spirit house naast de toegangsdeur – een kleine kleurige tempel op een paal, om de geesten te vereren. Ik koop er een cola en vervolg mijn weg. Ik sla een paadje in dat naar beneden loopt. Twee wandelaars komen me tegemoet, knikken “Hi” naar me, kijken opnieuw voor zich uit en stappen verder. Hun voetstappen ebben weg, maken plaats voor tsjirpende krekels. Het pad kronkelt traag naar beneden. Hier en daar een modderplas, als herinnering aan de dagelijkse moessonregen.

Hoe langer ik het pad naar beneden volg, hoe dichter de bomen bij elkaar komen. Hoe beter hun takken en bladeren me afschermen van de zon. Het krekelgetsjirp zwelt aan, de aarde wordt zompiger, het klatert in de verte. Onderaan het pad, verscholen tussen bomen en lianen, stroomt een waterval in een poel. Omgeven door struiken en grijze gladde rotsen. Aan de overkant van de poel schiet een varaan door het struikgewas. Even stopt hij, draait zijn kop in mijn richting. Daarna verdwijnt hij weer. Een streep zon valt in de poel en kleurt het water lichtgroen.

Ik schop mijn sandalen uit. Trek mijn jurk over mijn hoofd. Ik hurk neer op de grote vlakke rotsen aan de rand van de poel en laat me in het water glijden. Steeds dieper, tot ik met mijn tenen de bodem kan voelen. Tot het water net onder mijn neus komt. Ik los op. Ik ben er. Ben er niet. Blijf gewoon staan. Minuten, kwartieren, uren. Maakt niets uit. Het is heerlijk. Voor het eerst. Alleen. Voor het eerst vind ik het heerlijk om alleen te zijn.

Ik wandel terug naar mijn fiets. Ik ben weer vertrokken.