Ik
wandel op een smal stuk trottoir in de schroeiende zon terwijl tuk-tuks, taxi’s
en brommers langs me heen razen. Het is mijn eerste dag in Bangkok. De eerste
dag van mijn eerste reis alleen. Mijn horloge geeft nog het Belgische uur aan,
7 uur ’s ochtends. Hier is het middag, 12 uur. Mijn hoofd zit vol wolken, ik
lijk te zweven over het zwetende asfalt. Ik ben nog niet helemaal geland. Als ik
de douanebeambte en de vrouw aan de balie van mijn hostel niet meetel, heb ik
tot nu toe met niemand gesproken.
Het is
maar een paar minuten wandelen naar Khao San Road, die in de reisgidsen wordt
omschreven als dé backpackersstraat. Een paar jaar geleden ben ik er voor het
eerst geweest en ik herinner me een vage haat-liefde-verhouding voor deze plek.
Nu is het mijn enige aanknopingspunt. Mijn enige plan naast wakker blijven.
Honderden
uithangborden aan de gevels roepen op tot consumptie, vermomd als toeristenplezier
– “cheap hotel!” “fish massage!” “bus tickets!” “tattoo!” “exchange
office!” “beer garden!” “overseas call!”.
Hostels
wisselen af met reisbureaus, Irish pubs (“party all night!”), massagesalons,
bars en restaurants met terrassen. Er is zelfs een McDonalds – met clown Ronald McDonald in boeddhistische
groethouding, die er desondanks nog steeds eng uitziet. Beide kanten van de
straat zijn net als jaren geleden gevuld met kraampjes die aanbieden wat de doorsnee
backpacker nodig heeft: rugzakken, zaklampen, reservebatterijen, goedkope
t-shirts met het logo van Singha Beer. Voor de alternatieve hippie-reiziger
zijn er houten tribaloorbellen, yin-yang halskettingen, harembroeken,
tattoosshops, nepdreadlocks en valse
tattoosleeves.
Backpackers flaneren tussen de kraampjes, praten druk met
elkaar. Behalve ik. De kersvers gelande alleen-reiziger. Mijn schoenen nog niet
afgetrapt en mijn kleren nog niet bestoft. Ik hunker naar Thais voedsel, maar
op Khao San Road zijn er vooral hamburgers en frieten te verkrijgen.
Uiteindelijk plant ik me neer op een terras waar een vrouw “Real pad thai!”
staat te roepen om klanten te lokken en waar ik een perfect uitzicht heb over
de straat.
Stromen
van mensen wandelen, fietsen, rijden op hun brommers voorbij. Ze kopen, praten,
eten, kopen, praten, fotograferen, kopen. Ik zie een mollige roodverbrande man
met een yankeespet een slanke Thaise vrouw aan zijn arm, twee koppen kleiner
dan hij. Drie zwalpende jongens met Singha Beer t-shirts en wallen onder hun
ogen. Een Thaise jongen met dreadlocks en een rastamuts, wat nog vreemder
aandoet dan een blanke jongen met dreadlocks en een rastamuts. Een man die zijn
rugzak op zijn buik draagt uit angst om bestolen te worden. Westerse meisjes in
Aziatische kleren. Thaise meisjes in westerse kleren. Een Indische man met
tulband. Een boeddhistische monnik in een oranje gewaad, druk in gesprek met
zijn gsm. Uren kan ik blijven zitten en kijken. Als de luchthaven van Bangkok
de toegangspoort van Zuid-Oost-Azië is, dan is Khao San Road de inkomhal.
Maar ik
moet landen. Praten. Mensen leren kennen. Mijn reis aanvatten, me mengen tussen de mensen van Khao San Road.
Sowieso heb ik teenslippers nodig. Hup, kopen, praten. Ik wurm me tussen de
wirwar van backpackers en kraampjes. Wandel langs rijen bootleg-cd’s en
t-shirts. Ik hoor Engels rond mij, Frans, Nederlands. Af en toe wil ik iets
zeggen. Een vlot gesprek aanknopen. Een grappige opmerking maken. Maar ik kan
niets bedenken. De backpackers hebben
het te druk, met kopen, met eten en drinken, met elkaar.
In het
midden van de straat, ter hoogte van het zoveelste t-shirtkraam, zit een Thaise
man op een plastieken stoel. Hij lijkt ongeveer vijftig jaar oud, is gekleed in
een lang wit gewaad en draagt zijn zwarte haren in een lage paardenstaart. Rond zijn nek hangen honderden
parelkettingen. Hij merkt me op en wenkt me. “Come sit with me,” zegt hij. En
hij schuift de plastieken stoel naast de zijne in mijn richting.
“You…”
mompelt hij en kijkt me doordringend aan. “You are not open.”
“Yes I
am,” zeg ik nadrukkelijk. Heel bewust. Mijn eerste gesprek in Thailand is een
feit.
De
paardenstaartman schudt zijn hoofd. “Let me help you.”
Voor ik
het goed besef is hij dichter naar me toe geschoven, begint met zijn
vingertoppen in mijn rug te poken en brabbelt iets onverstaanbaars over
chakra’s.
“You have to open up,” zegt hij streng. “Your chakra’s
are blocked.”
“I feel great,” werp ik tegen. Als het echt waar is, dat ik niet
"open" ben, denk ik, dan is het geen wonder dat niemand met me wil
praten. En: Oh nee, geblokkeerde chakra’s!
“Relax,”
zegt hij en knipt driemaal met zijn vingers in mijn oor.
Enkele
backpackers houden halt en beginnen ons te bekijken. Eén van hen haalt zijn
fototoestel boven. Nu heb ik hun aandacht, ja, nu wel.
En dan
fluistert hij:
“You should come to my house. I will open your
chakra’s there. I will show you amazing things.”
Genoeg.
Ik sta recht. En ik wandel weer verder. “Too bad! Let me help you!” roept hij
me achterna, terwijl de backpackers toekijken. Ik weet weer waarom ik een
haat-liefde-verhouding heb met Khao San Road. En het zijn niet de hamburgers en
de frieten.
