Nippend
van mijn cocktail nestel ik me in de felgekleurde ligkussens van de strandbar.
Dubmuziek op de achtergrond, die af en toe wordt overstemd door aanrollende
golven. Wat verderop grinnikt een koppel. Enkele vrienden keuvelen,
rinkelend met hun glazen. En twee meter naast me, leest een man een boek.
Verder is de strandbar zo goed als verlaten. Ik schuif mijn blote voeten in het
zand.
Mijn
reisgenote heeft net als de andere backpackers haar intrek genomen in de
aanpalende internetcafés. Allemaal gaan ze hun dagelijkse reisverslagen mailen
naar de volledige kennissen- en vage kennissenkring. (Vanmorgen aten we als
ontbijt een omelet en een bananenpannenkoek. Hmm! Daarna hebben we een paar uur
gesnorkeld. De vissen waren mooier dan die van gisteren. Er was ook een
kraampje waar je t-shirts kon kopen. Voor maar 30 baht! Dat kan je je bij ons
toch niet voorstellen. We gaan naar goede gewoonte vroeg slapen vandaag. We
zijn erg moe door de hitte. We gaan morgen naar Phitsanulok. Tot morgen, voor
meer avonturen. Wie léést die epistels eigenlijk?)
Allemaal
gaan ze skypen met hun lief. Hun ouders. Hoe rock n’ roll is reizen nog wanneer
we dagelijks met onze moeders kunnen praten? Wat is er gebeurd met het
wekelijks telefoontje, vanuit een stoffig winkeltje met “oversea call” op de
etalageruit gestickerd, met een écht telefoontoestel, met prominent aanwezige
druktoetsen. Het wekelijkse telefoontje
dat maar enkele minuten mocht duren, omdat het anders teveel kostte.
Toen
mijn grootmoeder veel reisde, deed ze naar ons ook een wekelijks telefoontje.
Zij praatte niet, maar riep, alsof haar stem de afstand in kilometers
daadwerkelijk moest overbruggen. Hoe verder het land, hoe meer zij haar stem
verhief. Deze telefoontjes duurden niet enkele minuten, maar enkele seconden.
“We
leven nog. Ik ga afleggen. Dag.”
Dàt was
nog eens reizen. Nu is thuis overal. De enige afstand die er nog overschiet is
die tussen jezelf en de internetverbinding.
Daarnet
heb ik een bundel postkaarten gekocht. Het heeft me dagen gekost om er te
vinden, maar het is me gelukt. Er staan paarsroze zonsondergangen op, cocktails
en palmbomen, tempels, bijgewerkt met extra goud en schitteringen. Die ga ik verzenden. Per post. Iedereen een
persoonlijke boodschap. Een flauw grapje. En zonnige groetjes. Terwijl ik met
mijn blote voeten in het zand wroet. De inkt op de postkaarten per ongeluk
uitveeg met mijn zweet en zonnecrème, met hier en daar een verdwaalde
zandkorrel. Geen mail, laat staan skype. Een persoonlijke postkaart met echte
balpeninkt, met de hand geschreven.
Met mijn
tenen trek ik strepen in het zand. Eén, twee, drie, vier. Mijn reisgenote komt
naast me zitten.
“En?”
vraag ik. “Wat voor nieuws?”
“Niets
speciaals,” zegt ze.
“Ha, ik
zei het toch.”
“Hier
nog wat gebeurd?”
“Nee,”
zeg ik. “Lekker rustig.”
We bestellen nog een cocktail. Maken plannen. Ik trek nog
driemaal een streep door het zand. Nog drie dagen. En dan mag ik van mezelf
weer skypen en mailen met het thuisfront.Waar niks gebeurd zal zijn. Maar
verdomme. Mijn grootmoeder was toch meer rock n’ roll dan ik.