woensdag 2 maart 2016

Postkaarten en oversea calls



Nippend van mijn cocktail nestel ik me in de felgekleurde ligkussens van de strandbar. Dubmuziek op de achtergrond, die af en toe wordt overstemd door aanrollende golven. Wat verderop grinnikt een koppel. Enkele vrienden keuvelen, rinkelend met hun glazen. En twee meter naast me, leest een man een boek. Verder is de strandbar zo goed als verlaten. Ik schuif mijn blote voeten in het zand.

Mijn reisgenote heeft net als de andere backpackers haar intrek genomen in de aanpalende internetcafés. Allemaal gaan ze hun dagelijkse reisverslagen mailen naar de volledige kennissen- en vage kennissenkring. (Vanmorgen aten we als ontbijt een omelet en een bananenpannenkoek. Hmm! Daarna hebben we een paar uur gesnorkeld. De vissen waren mooier dan die van gisteren. Er was ook een kraampje waar je t-shirts kon kopen. Voor maar 30 baht! Dat kan je je bij ons toch niet voorstellen. We gaan naar goede gewoonte vroeg slapen vandaag. We zijn erg moe door de hitte. We gaan morgen naar Phitsanulok. Tot morgen, voor meer avonturen. Wie léést die epistels eigenlijk?)


Allemaal gaan ze skypen met hun lief. Hun ouders. Hoe rock n’ roll is reizen nog wanneer we dagelijks met onze moeders kunnen praten? Wat is er gebeurd met het wekelijks telefoontje, vanuit een stoffig winkeltje met “oversea call” op de etalageruit gestickerd, met een écht telefoontoestel, met prominent aanwezige druktoetsen. Het wekelijkse telefoontje dat maar enkele minuten mocht duren, omdat het anders teveel kostte.


Toen mijn grootmoeder veel reisde, deed ze naar ons ook een wekelijks telefoontje. Zij praatte niet, maar riep, alsof haar stem de afstand in kilometers daadwerkelijk moest overbruggen. Hoe verder het land, hoe meer zij haar stem verhief. Deze telefoontjes duurden niet enkele minuten, maar enkele seconden.
“We leven nog. Ik ga afleggen. Dag.”
Dàt was nog eens reizen. Nu is thuis overal. De enige afstand die er nog overschiet is die tussen jezelf en de internetverbinding.

Daarnet heb ik een bundel postkaarten gekocht. Het heeft me dagen gekost om er te vinden, maar het is me gelukt. Er staan paarsroze zonsondergangen op, cocktails en palmbomen, tempels, bijgewerkt met extra goud en schitteringen. Die ga ik verzenden. Per post. Iedereen een persoonlijke boodschap. Een flauw grapje. En zonnige groetjes. Terwijl ik met mijn blote voeten in het zand wroet. De inkt op de postkaarten per ongeluk uitveeg met mijn zweet en zonnecrème, met hier en daar een verdwaalde zandkorrel. Geen mail, laat staan skype. Een persoonlijke postkaart met echte balpeninkt, met de hand geschreven.

Met mijn tenen trek ik strepen in het zand. Eén, twee, drie, vier. Mijn reisgenote komt naast me zitten.
“En?” vraag ik. “Wat voor nieuws?”
“Niets speciaals,” zegt ze.
“Ha, ik zei het toch.”
“Hier nog wat gebeurd?”
“Nee,” zeg ik. “Lekker rustig.”

We bestellen nog een cocktail. Maken plannen. Ik trek nog driemaal een streep door het zand. Nog drie dagen. En dan mag ik van mezelf weer skypen en mailen met het thuisfront.Waar niks gebeurd zal zijn. Maar verdomme. Mijn grootmoeder was toch meer rock n’ roll dan ik.

De weg naar Pai



Zelfvoldaan kijk ik door het raam van de minibus. De weg kronkelt vlotjes langs ons heen, het leven is mooi, we zijn op weg naar Pai. In reisgidsen wordt dit dorp omschreven als  “Pai-radise”, een oase van groene valleien, watervallen en rust. Een plek om naar uit te kijken na twee weken hoofdsteden vol stank en lawaai.

Helaas moesten mijn reisgenoten en ik daar erg vroeg en met kater – want die kom je wel eens tegen in Aziatische hoofdsteden vol goedkope bars – voor opstaan, om aan het busstation te ontdekken dat de bus nog vele uren op zich zou laten wachten. Uren die in Thailand nog rekbaarder zijn dan in België. Nadat een schurftige hond zijn vacht driftig tegen onze benen bleef schuren, besloten we dat we zo snel mogelijk moesten vertrekken.

Boeddha was ons goed gezind, want een chauffeur die een minibus ter beschikking had, wilde ons wel brengen van zodra we met voldoende passagiers waren. Dus begonnen wij driftig in het rond te kijken  - ‘die eenzame backpacker daar, die weet toch niet waar naartoe’, ‘probeer dat koppel met dreadlocks, zij willen zeker naar de natuur’ -  en luidkeels “Pai!” te roepen. Alweer bleek alles vanzelf te gaan in Thailand, want na twee minuten hadden we genoeg Pai-gangers verzameld. We riepen naar de chauffeur dat we konden vertrekken.

Maar nu we de stad uit zijn, beginnen de haarspeldbochten. De Canadees achter me lacht zenuwachtig dat hij wel erg veel last heeft van reisziekte. Natuurlijk heeft niemand een plastic zak bij zich en natuurlijk zit hij achter me, zodat ik angstig wacht tot er een hoop braaksel in mijn nek terecht zal komen. Daarbij heeft de chauffeur van onze pas verworven minibus niet zoveel geslapen afgelopen nacht, want zijn ogen zijn bloeddoorlopen en hij zuipt onafgebroken Red Bull-flesjes leeg. Ook blijkt hij liever rechts te rijden dan links, zoals dat in Thailand nochtans hoort. Met overdreven snelheid.

De eerste vrachtwagen kan nog net uitwijken. De tweede raakt ons op één centimeter na. De koe die langs de kant van de weg loopt, moet het bijna ontgelden. Onze chauffeur toetert, draait zich om en lacht naar ons.

“Can you please slow down?” vraagt mijn reisgenoot.
“Can you please drive left?” smeek ik.
“I really feel sick,” zegt de Canadees.

Ik besluit alles zoveel mogelijk te negeren, opnieuw door mijn raampje te staren met mijn zelfvoldane blik van daarnet en te bidden dat deze rit zo snel mogelijk voorbij is. Helaas begint de kerel naast me, een twintiger uit Noorwegen met een beige hoed en een hals vol amuletten, tegen me te praten. Dat ik me niet moet opjagen. Dat dit erbij hoort.
“I am a buddhist” zegt hij, alsof dat alles verklaart. Daarop haalt hij op nadrukkelijke wijze een boek over de Dalai Lama uit zijn tas en begint geconcentreerd de spirituele inhoud in zich op te nemen. Intussen vindt het dreadlockkoppel  op de achterbank het bijzonder grappig om elkaar braakverhalen te vertellen. De Canadees ziet nu helemaal groen. Op het moment dat ik het koppel de mond wil snoeren, stopt de chauffeur en kondigt zijn rookpauze aan. De Canadees duikt meteen de bosjes in, onder luid hoongelach van de chauffeur, terwijl de boeddhistische Noor vreemde gevechtsbewegingen start aan de kant van de weg. “I practice capoeira,” legt hij uit, terwijl ik hem niets heb gevraagd. Ik graai naar mijn I-pod en besluit de rest van de rit naar heel erg luide muziek te luisteren.

762 bochten, vijf bijna-aanrijdingen en drie bijna-dode koeien later, staan we eindelijk in Pai. Wanneer onze chauffeur onze rugzakken uit de kofferbak haalt, valt het onmiddellijk op dat de onze drie keer zo groot en zo zwaar zijn als die van de Noor. Met triomfantelijke blik toont hij zijn rugzakje. “This is all I need” zegt hij terwijl hij doordringend in mijn ogen staart. Ok, beste Noor, wij zijn kapitalisten. Jij bent Ghandi. “This,” vervolgt hij, zoekend in de kofferbak naar een juten zak, “and my spraycans.” Ik zeg niets, maar weet dat er sowieso een uitleg gaat komen. “I spray my art on walls in bars,” verklaart hij trots, alsof hij net een dorp kinderen van de armoede heeft gered. En dan begint hij te fluisteren alsof hij me een groot geheim gaat toevertrouwen. “They give me food for it… and drugs.” We maken ons uit de voeten voor de Noor gaat voorstellen om samen in het oerwoud te verblijven en er driemaal per dag te mediteren. Het is een algemene wet, om het paradijs te bereiken, moet je eerst even de hel doorstaan.