Met tot
spleetjes geknepen ogen speur ik de baai rond. Geen bar, geen winkeltje, geen
kraam. Zelfs geen op de grond gevallen kokosnoot om open te breken. Waar we
ongetwijfeld een halve dag over zouden doen. Maar heb ik zoveel dorst, dat ik
het nog zou proberen.
Het is
onze eerste dag op het eiland. Sinds vanmorgen zijn we aan het wandelen, Mike
en ik. Het pad dat we willekeurig hebben gekozen, leidde ons langs dorpjes,
doorheen een bos, naar een verlaten tempel – afgezien van de aap die de ingang
leek te bewaken – en een kerkhof met gouden torentjes op de graven. Nu
slenteren we blootvoets over een verlaten strandje dat wordt omringd door steile
grijze rotsen. Het zand is melkwit, alsof de zon het heeft verbleekt, en
schuurt als dikke korrels rietsuiker onder mijn voetzolen. Terwijl ik me er
doorheen ploeg, graai ik naar mijn waterfles, die in de zijzak van mijn stoffig
rugzakje hangt, en schud de laatste druppels in mijn keelgat. Ze smaken naar
badwater en plastiek.
“We
moeten écht iets drinken,” zeg ik.
Mike
knikt. Hij doet geen moeite meer om iets te zeggen. Zijn bleke huid is
inmiddels helemaal rood geworden zodat ik voortdurend aan zongedroogde tomaten
moet denken. Hij tuurt door het schermpje van zijn fototoestel, wat hij wel
vaker doet, meestal wanneer hij denkt een dier te hebben gespot in de verte.
“Daar!”
lacht hij opeens, en wijst naar de rots aan de linkerkant.
“Waar?
Waar?” Ik schrik van mijn eigen gebrul. Ik klink als een drenkeling die hoopt
dat er land in zicht is. Ik zie helemaal niets, behalve de grote grijze rots.
“Bovenóp
de rots,” juicht hij, alsof hij net een schat heeft ontdekt. Hij begint
steviger door te stappen. Ik haast me achter hem aan. Aan de voet van de rots
begint een smalle metalen trap. Aan de rotswand, ter hoogte van de eerste
trede, hangt een zwart bordje met in fluogele letters “bar” en een pijl die
naar boven wijst. Een honderdtal gemene treden, voor we verlichting zullen
vinden. We halen allebei diep adem en hijsen onszelf zo snel mogelijk naar
boven.
Voor ons
ligt een terras, met vier lage, houten tafeltjes met ligkussens errond, naast
de ingang van een grot. In de mond van de grot staat een toog, aan de wanden
hangen felgekleurde vlaggen en er speelt goa-muziek. Er zit één koppeltje in
kleermakerszit op de kussens, de man begroet ons met een korte “Hi” . Een
meisje komt uit de grot, wandelt ons tegemoet. Ze is gekleed in een kort zwart
jurkje en goudkleurige havaianas.
“Welcome!” knikt ze vrolijk.
“Nice to meet you,” zegt Mike, “Can I have a coke
please?”
“We
don’t have coke,” zegt het meisje.
“Do you have pineapple shake?” vraag ik. Sinds ik in Zuid-Oost-Azië ben,
ben ik verslingerd aan vruchtenshakes. Banaan, mango, kokosnoot, ze zijn
allemaal heerlijk. Nu hoop ik op ananas. Ananas zou me heel gelukkig maken.
“We have
mushroom shake,” zegt het meisje.
Mike en
ik kijken elkaar aan. Mushroom shake kennen we nog niet. Maar dat is niet erg.
“Okay,”
knikken we. “Two mushroom shakes.”
Vijf
minuten later staan er twee grijze drankjes in een lang cocktailglas op onze
tafel. Ik heb nog nooit een grijs drankje gezien. Meteen nemen we een slok,
want het is fris, het is vloeibaar. Ook al is het paddenstoel. Ik voel mijn
uitgedroogde slokdarm meteen opknappen. Ook Mike kijkt opgelucht. Drank! We
hebben drank!
“Hoe
vind je het?” vraag ik.
Mike
aarzelt. “Het is euh…”
“Ja.”
“Het
smaakt naar… gemalen muis?”
“Een
stuk karton dat in de blender is gegooid?”
Het
koppel dat twee tafels verderop zit, is dezelfde grijze shake aan het drinken.
Hun glazen zijn bijna leeg. En ze zijn net luidop aan het lachen.
“Het zal
wel aan ons liggen,” zeg ik sussend. De Aziatische keuken is meestal
fantastisch. Ik vind het heerlijk om
‘nieuwe’ etenswaren te ontdekken op marktjes en aan kraampjes, ook al
proef ik af en toe iets dat ik raar of vies vind smaken, zoals zwarte ice-tea,
chips met zeewiersmaak, gedroogde vis of een stuk durian-vrucht. Maar dat hoort
er allemaal bij.
Wanneer
de rekening komt, schrikken we. Omgerekend kost één mushroom shake vijftien
euro. Vijftien euro! We hebben de afgelopen dagen nooit meer dan drie euro betaald
voor een cocktail. Deze paddenstoelen moeten wel een delicatesse zijn, zeggen
we tegen elkaar. Zo’n beetje zoals koffie Kopi Loewak, op basis van koffiebonen
van uitwerpselen. Misschien groeien die paddenstoelen maar op één plek ter
wereld en kunnen ze maar op één specifieke dag per jaar geplukt worden, bij
volle maan, ergens in een grot waar je vijf uur lang met een klein bootje via
woest water naartoe moet varen, om vervolgens met een smalle ladder dertig
meter naar boven te klimmen om de aan paddenstoelen te kunnen, waarbij je
intussen belaagd wordt door vleesetende vleermuizen. Zoiets. Vijftien euro is
bibbergoud.
We
betalen, zwaaien het meisje en het koppel gedag en dalen af naar het strand.
Zwijgend wandelen we over het natte zand, waar we onze tenen het zeewater laten
kussen.
“Weet
je…” zeg ik aarzelend, “die paddenstoelen…”
“Ja,”
zegt Mike, “ik besef het nu ook.”
De zon
zakt langzaam achter de horizon en kleurt de wolkenslierten oranje. Ik vraag me
af of ik dit soort oranje al ooit heb gezien.Het lauwe zonlicht werpt lange
donkere schaduwen op de rotsen. Fonkelen ze? Vibreren ze? Maak ik mezelf iets
wijs?
“Jij
hebt je glas ook helemaal leeggedronken, hé?” vraag ik.
“Ja.”
“Voel
jij iets?”
“Ik weet
het niet…”
“Misschien
komt het nog…”
We
zetten onze weg verder, traag wandelend, over het aarden pad dat in de richting
van onze hostel loopt. Tenminste, dat hopen we. We staren naar de schoolmeisjes
die ons voorbijfietsen, zien een brommerrijder die een varken op zijn
bagagedrager heeft gebonden, witgele
franchipani-bloemen die in de struiken hangen. Paddenstoelen of niet, een mooie
wandeling is het wel.