zondag 14 februari 2016

Mushroom Shake



Met tot spleetjes geknepen ogen speur ik de baai rond. Geen bar, geen winkeltje, geen kraam. Zelfs geen op de grond gevallen kokosnoot om open te breken. Waar we ongetwijfeld een halve dag over zouden doen. Maar heb ik zoveel dorst, dat ik het nog zou proberen.

Het is onze eerste dag op het eiland. Sinds vanmorgen zijn we aan het wandelen, Mike en ik. Het pad dat we willekeurig hebben gekozen, leidde ons langs dorpjes, doorheen een bos, naar een verlaten tempel – afgezien van de aap die de ingang leek te bewaken – en een kerkhof met gouden torentjes op de graven. Nu slenteren we blootvoets over een verlaten strandje dat wordt omringd door steile grijze rotsen. Het zand is melkwit, alsof de zon het heeft verbleekt, en schuurt als dikke korrels rietsuiker onder mijn voetzolen. Terwijl ik me er doorheen ploeg, graai ik naar mijn waterfles, die in de zijzak van mijn stoffig rugzakje hangt, en schud de laatste druppels in mijn keelgat. Ze smaken naar badwater en plastiek.

“We moeten écht iets drinken,” zeg ik.
Mike knikt. Hij doet geen moeite meer om iets te zeggen. Zijn bleke huid is inmiddels helemaal rood geworden zodat ik voortdurend aan zongedroogde tomaten moet denken. Hij tuurt door het schermpje van zijn fototoestel, wat hij wel vaker doet, meestal wanneer hij denkt een dier te hebben gespot in de verte.

“Daar!” lacht hij opeens, en wijst naar de rots aan de linkerkant.
“Waar? Waar?” Ik schrik van mijn eigen gebrul. Ik klink als een drenkeling die hoopt dat er land in zicht is. Ik zie helemaal niets, behalve de grote grijze rots.

“Bovenóp de rots,” juicht hij, alsof hij net een schat heeft ontdekt. Hij begint steviger door te stappen. Ik haast me achter hem aan. Aan de voet van de rots begint een smalle metalen trap. Aan de rotswand, ter hoogte van de eerste trede, hangt een zwart bordje met in fluogele letters “bar” en een pijl die naar boven wijst. Een honderdtal gemene treden, voor we verlichting zullen vinden. We halen allebei diep adem en hijsen onszelf zo snel mogelijk naar boven.

Voor ons ligt een terras, met vier lage, houten tafeltjes met ligkussens errond, naast de ingang van een grot. In de mond van de grot staat een toog, aan de wanden hangen felgekleurde vlaggen en er speelt goa-muziek. Er zit één koppeltje in kleermakerszit op de kussens, de man begroet ons met een korte “Hi” . Een meisje komt uit de grot, wandelt ons tegemoet. Ze is gekleed in een kort zwart jurkje en goudkleurige havaianas.

“Welcome!” knikt ze vrolijk.
“Nice to meet you,” zegt Mike, “Can I have a coke please?”
“We don’t have coke,” zegt het meisje.
“Do you have pineapple shake?” vraag ik. Sinds ik in Zuid-Oost-Azië ben, ben ik verslingerd aan vruchtenshakes. Banaan, mango, kokosnoot, ze zijn allemaal heerlijk. Nu hoop ik op ananas. Ananas zou me heel gelukkig maken.
“We have mushroom shake,” zegt het meisje.
Mike en ik kijken elkaar aan. Mushroom shake kennen we nog niet. Maar dat is niet erg.
“Okay,” knikken we. “Two mushroom shakes.”

Vijf minuten later staan er twee grijze drankjes in een lang cocktailglas op onze tafel. Ik heb nog nooit een grijs drankje gezien. Meteen nemen we een slok, want het is fris, het is vloeibaar. Ook al is het paddenstoel. Ik voel mijn uitgedroogde slokdarm meteen opknappen. Ook Mike kijkt opgelucht. Drank! We hebben drank!
“Hoe vind je het?” vraag ik.
Mike aarzelt. “Het is euh…”
“Ja.”
“Het smaakt naar… gemalen muis?”
“Een stuk karton dat in de blender is gegooid?”

Het koppel dat twee tafels verderop zit, is dezelfde grijze shake aan het drinken. Hun glazen zijn bijna leeg. En ze zijn net luidop aan het lachen.
“Het zal wel aan ons liggen,” zeg ik sussend. De Aziatische keuken is meestal fantastisch. Ik vind het heerlijk om  ‘nieuwe’ etenswaren te ontdekken op marktjes en aan kraampjes, ook al proef ik af en toe iets dat ik raar of vies vind smaken, zoals zwarte ice-tea, chips met zeewiersmaak, gedroogde vis of een stuk durian-vrucht. Maar dat hoort er allemaal bij.

Wanneer de rekening komt, schrikken we. Omgerekend kost één mushroom shake vijftien euro. Vijftien euro! We hebben de afgelopen dagen nooit meer dan drie euro betaald voor een cocktail. Deze paddenstoelen moeten wel een delicatesse zijn, zeggen we tegen elkaar. Zo’n beetje zoals koffie Kopi Loewak, op basis van koffiebonen van uitwerpselen. Misschien groeien die paddenstoelen maar op één plek ter wereld en kunnen ze maar op één specifieke dag per jaar geplukt worden, bij volle maan, ergens in een grot waar je vijf uur lang met een klein bootje via woest water naartoe moet varen, om vervolgens met een smalle ladder dertig meter naar boven te klimmen om de aan paddenstoelen te kunnen, waarbij je intussen belaagd wordt door vleesetende vleermuizen. Zoiets. Vijftien euro is bibbergoud.

We betalen, zwaaien het meisje en het koppel gedag en dalen af naar het strand. Zwijgend wandelen we over het natte zand, waar we onze tenen het zeewater laten kussen.
“Weet je…” zeg ik aarzelend, “die paddenstoelen…”
“Ja,” zegt Mike, “ik besef het nu ook.”
De zon zakt langzaam achter de horizon en kleurt de wolkenslierten oranje. Ik vraag me af of ik dit soort oranje al ooit heb gezien.Het lauwe zonlicht werpt lange donkere schaduwen op de rotsen. Fonkelen ze? Vibreren ze? Maak ik mezelf iets wijs?
“Jij hebt je glas ook helemaal leeggedronken, hé?” vraag ik.
“Ja.”
“Voel jij iets?”
“Ik weet het niet…”
“Misschien komt het nog…”


We zetten onze weg verder, traag wandelend, over het aarden pad dat in de richting van onze hostel loopt. Tenminste, dat hopen we. We staren naar de schoolmeisjes die ons voorbijfietsen, zien een brommerrijder die een varken op zijn bagagedrager heeft gebonden,  witgele franchipani-bloemen die in de struiken hangen. Paddenstoelen of niet, een mooie wandeling is het wel.