donderdag 14 april 2016

Fuck you, I won't do what you tell me


Met een geplastificeerde menukaart van het café wapper ik mezelf wat koelte toe. De avond heeft net de laatste strepen zon weggeduwd en de lucht is nog steeds vochtig en heet. De blaren op mijn handen branden, mijn vingers zijn rood en stijf, mijn armspieren trillen nog na. Het was nog geen kilometer stappen van mijn hotel naar het muziekcafé, maar mijn wandeling op krukken leek vooral op die van een gestrande walvis die zichzelf krampachtig over een duin sleurt in de hoop ooit de zee terug te vinden.

Omdat de tafels en stoelen op het terras al ingepalmd zijn, heb ik me binnen aan een tafeltje neergezet. Enkel de spots boven de toog zorgen voor licht,  klanten schuifelen als donkere gestaltes in en uit, de ventilator boven mijn hoofd hangt doodstil.  Een druppel zweet glijdt langs mijn neus, mijn keel voelt droog aan en ik probeer al wapperend de aandacht van de ober te trekken. Hij kijkt niet, enkele klanten wel. Hun blik glijdt over mijn krukken, die ik tegen de tafelrand heb laten leunen, glijdt vervolgens over mij. Ik voel hen denken, wat is er met hààr gebeurd? Ik puf nog steeds en probeer het zweet op dramatische wijze van mijn gezicht te vegen, in de hoop dat iemand me een zitplaats op het terras zal aanbieden. Helaas.

Steeds meer mensen stromen binnen, Indonesische jongeren en backpackers. Het café wordt steeds voller en warmer. Een meisje met blonde krullen en een bolletjesjurk glijdt langs mijn tafeltje en stoot per ongeluk tegen mijn krukken. De plastieken handvaten kletteren tegen de tegelvloer. Een geluid dat ik al vaak heb gehoord de laatste dagen. Te vaak.  “Sorry!” roept het meisje verschrikt. “It’s okay,” zeg ik en buk me voor de zoveelste keer om mijn twee ondingen op te rapen. Mijn krukken en ik, een nieuw en moeilijk huwelijk. Can’t live with them, can’t live without them.

Op het kleine houten podium naast mijn tafeltje stelt een groep muzikanten hun instrumenten op. Kabels worden ingeplugd, gitaren gestemd en microfoons getest. Ze zijn met vijf. Indonesische jongens van eind in de twintig. Allen dragen ze een blauwe jeans en een printloze t-shirt. Enkel hun zilveren halskettingen en oorringen verraden een voorliefde voor rockmuziek. Ik weet niet of ik op iets meesterlijks of amusants moet hopen, maar op dit moment is alles goed. Zelfs een lallende charmezanger in een bananenpak zou me nu kunnen bekoren. Als ik maar niet wéér op mijn hotelkamer moet zitten. Mijn boeken zijn uitgelezen, ik ken hele passages en elke achterflap uit mijn hoofd, ik heb  genoeg geslapen voor de rest van het jaar, heb de balken van het plafond al honderd keer geteld en heb verhaaltjes verzonnen bij de tekeningen die ik zag in de nerven van het hout. Ik wil gewoon onder mensen zijn. Vanaf de zijlijn, desnoods. Als ik maar iets meemaak.

De volgende die langs mijn tafel wandelt, een bleke man met een lange rosse baard, struikelt. Over mijn rugzakje, waar ik, om mijn handen vrij te hebben als ik met krukken wandel, mijn geld, gsm en mijn fototoestel in heb gestoken. De man  lacht, wankelt even en steekt zijn hand op. Daarna huppelt hij in de richting van het terras. Hij laat zich zakken aan een tafel waar nog twee mannen en twee vrouwen zitten. Hun hoofden hangen dicht bij elkaar, als een samenzweerderig backpackersverbond, ze klinken hun glazen opgewekt tegen elkaar. Eén van de vrouwen gaat rechtop staan, schudt met haar heupen. De man met de rosse baard neemt een foto. Zijn ze vandaag naar de vulkaan geweest? Hebben ze gewandeld, geklommen? Hebben ze zich doorheen de kraampjes van Malioboro en Beringharjo geworsteld, hebben ze rondgedoold in het waterkasteel? De tempelruïnes van Brambanan gezien? De trappen van de Borbobudurtempel beklommen? Terwijl mijn vervloekte knie en ik alleen maar neerzitten.

De podiumlichten worden aangestoken. De bandleden zetten een stap naar voren, een aantal mensen gaat recht voor het podium staan. De drummer en de gitarist zetten het eerste nummer in. Enter Sandman van Metallica. Ik heb het sinds de middelbare school nooit meer gedraaid, maar ik ken het nog steeds. Voor het eerst in dagen moet ik gniffelen. Mijn ene been beweegt mee op de maat, het andere wil nog niet helemaal mee. De zanger gromt. Say your prayers little one, don’t forget my son, to include everyone.

Meer en meer mensen troepen samen voor het podium. Een enthousiast knikkende Indonesiër met zwarte polsbandjes, een mollige kale backpacker die zijn daypack nog op zijn rug draagt, het meisje met de blonde krullen en de bolletjesjurk. Rechts van het podium staat een Indonesisch meisje te dansen. Ze heeft lange zwarte golvende haren, draagt een zwart corset en een strakke zwarte jeans. Sensueel gooit ze haar hoofd en lange lokken naar voren en naar achteren, op de maat van de muziek. Haar bewegingen werken aanstekelijk. Ook de anderen die vooraan aan het podium staan, headbangen, springen op en neer, juichen, gaan uit hun dak. Ik verplaats af en toe mijn krukken, voor iemand er opnieuw tegen kan botsen. Aan de buitenkant ben ik rustig, diep vanbinnen wil ik op en neer gaan, mezelf doodop springen. Exit light. Enter night. Headbangen, zoals in het middelbaar.

De zanger glimlacht naar me. Hij lijkt te merken dat ik de lyrics, die ik aan het meelippen ben, vanbuiten ken. Ik heb altijd gevreesd dat het een belachelijk zicht is, mensen die meezingen met liedjesteksten. Jezelf Mick Jagger voelend maar eigenlijk lelijke smoelen trekkend aan de zijlijn staan. Maar vandaag doe ik het gewoon. Als ik niet kan dansen, mag ik brullen. We’re off to never-never land!”

Enter Sandman stopt en de band zet een nieuw nummer in. Killing in the name of, van Rage Against The Machine. Een nummer dat voor ons in de nineties rebellie uitdroeg, al wisten we niet precies tegen wie en waarom. Rage Against The Machine doet wonderen voor mijn humeur. And now you do what they told ya – now you’re under control – and now you do what they told ya. Now you’re under control! Ik roep mee, samen met de dansende mensen die rond mij staan.

De zanger komt mijn richting uit, houdt de microfoon onder mijn neus. Ik brul, harder dan ik van mezelf had verwacht. Now you’re under control – and now you do what they told ya! Hij strekt zijn arm uit, nodigt me uit, het podium op. Ik aarzel, grijp naar mijn krukken, denk "foert". Met mijn goede been voor en mijn slechte been achter, hijs ik mezelf de trede op. De zanger legt zijn arm over mijn schouder, houdt de microfoon tussen ons in. Samen roepen we verder. Fuck you, I won’t do what you tell me! Het publiek geniet, headbangt, springt op en neer. Iedereen gaat uit zijn dak. De zanger grijnst naar me. Ik grijns terug. En brul alle ongeluk van de laatste dagen uit mijn lijf. Deze is voor mijn knie. En voor alle puberale rebellie uit de nineties. Die vandaag verdomd plezant is. Fuck you! I won’t do what you tell me! Motherfucker! Ugh!