Met een geplastificeerde menukaart van het café wapper ik mezelf wat koelte toe. De avond heeft net de laatste strepen zon weggeduwd en de lucht is nog steeds vochtig en heet. De blaren op mijn handen branden, mijn vingers zijn rood en stijf, mijn armspieren trillen nog na. Het was nog geen kilometer stappen van mijn hotel naar het muziekcafé, maar mijn wandeling op krukken leek vooral op die van een gestrande walvis die zichzelf krampachtig over een duin sleurt in de hoop ooit de zee terug te vinden.
Omdat de tafels en stoelen op het terras al ingepalmd zijn,
heb ik me binnen aan een tafeltje neergezet. Enkel de spots boven
de toog zorgen voor licht, klanten
schuifelen als donkere gestaltes in en uit, de ventilator boven mijn hoofd
hangt doodstil. Een druppel zweet glijdt
langs mijn neus, mijn keel voelt droog aan en ik probeer al wapperend de aandacht
van de ober te trekken. Hij kijkt niet, enkele klanten wel. Hun blik glijdt
over mijn krukken, die ik tegen de tafelrand heb laten leunen, glijdt vervolgens
over mij. Ik voel hen denken, wat is er met hààr gebeurd? Ik puf nog steeds en probeer
het zweet op dramatische wijze van mijn gezicht te vegen, in de hoop dat iemand
me een zitplaats op het terras zal aanbieden. Helaas.
Steeds meer mensen stromen binnen, Indonesische jongeren en
backpackers. Het café wordt steeds voller en warmer. Een meisje met blonde
krullen en een bolletjesjurk glijdt langs mijn tafeltje en stoot per ongeluk tegen
mijn krukken. De plastieken handvaten kletteren tegen de tegelvloer. Een geluid
dat ik al vaak heb gehoord de laatste dagen. Te vaak. “Sorry!” roept het meisje verschrikt. “It’s
okay,” zeg ik en buk me voor de zoveelste keer om mijn
twee ondingen op te rapen. Mijn krukken en ik, een nieuw en moeilijk huwelijk. Can’t live with them, can’t live without
them.
Op het kleine houten podium naast mijn tafeltje stelt een
groep muzikanten hun instrumenten op. Kabels worden ingeplugd, gitaren gestemd
en microfoons getest. Ze zijn met vijf. Indonesische jongens van eind in de twintig. Allen dragen ze een blauwe jeans en een printloze t-shirt. Enkel
hun zilveren halskettingen en oorringen verraden een voorliefde voor rockmuziek. Ik
weet niet of ik op iets meesterlijks of amusants moet hopen, maar op dit moment
is alles goed. Zelfs een lallende charmezanger in een bananenpak zou me nu
kunnen bekoren. Als ik maar niet wéér op mijn hotelkamer moet zitten. Mijn
boeken zijn uitgelezen, ik ken hele passages en elke achterflap uit mijn hoofd, ik heb genoeg geslapen voor de rest van het jaar,
heb de balken van het plafond al honderd keer geteld en heb verhaaltjes verzonnen
bij de tekeningen die ik zag in de nerven van het hout. Ik wil gewoon onder
mensen zijn. Vanaf de zijlijn, desnoods. Als ik maar iets
meemaak.
De volgende die langs mijn tafel wandelt, een bleke man met
een lange rosse baard, struikelt. Over mijn rugzakje, waar ik, om mijn handen
vrij te hebben als ik met krukken wandel, mijn geld, gsm en mijn fototoestel in
heb gestoken. De man lacht, wankelt even
en steekt zijn hand op. Daarna huppelt hij in de richting van het terras. Hij laat zich zakken aan een tafel
waar nog twee mannen en twee vrouwen zitten. Hun hoofden hangen dicht bij
elkaar, als een samenzweerderig backpackersverbond, ze klinken hun glazen
opgewekt tegen elkaar. Eén van de vrouwen gaat rechtop staan, schudt met haar
heupen. De man met de rosse baard neemt een foto. Zijn ze vandaag naar de
vulkaan geweest? Hebben ze gewandeld, geklommen? Hebben ze
zich doorheen de kraampjes van Malioboro en Beringharjo geworsteld, hebben ze
rondgedoold in het waterkasteel? De tempelruïnes van Brambanan gezien? De trappen van de Borbobudurtempel beklommen? Terwijl mijn vervloekte knie en ik alleen maar neerzitten.
De podiumlichten worden aangestoken. De bandleden
zetten een stap naar voren, een aantal mensen gaat recht voor het podium staan.
De drummer en de gitarist zetten het eerste nummer in. Enter Sandman van Metallica. Ik heb het sinds de middelbare school
nooit meer gedraaid, maar ik ken het nog steeds. Voor het eerst in dagen moet
ik gniffelen. Mijn ene been beweegt mee op de maat, het andere wil nog niet helemaal
mee. De zanger gromt. Say your prayers
little one, don’t forget my son, to include everyone.
Meer en meer mensen troepen samen voor het podium. Een enthousiast
knikkende Indonesiër met zwarte polsbandjes, een mollige kale backpacker die
zijn daypack nog op zijn rug draagt, het meisje met de blonde krullen en de
bolletjesjurk. Rechts van het podium staat een Indonesisch meisje te dansen. Ze
heeft lange zwarte golvende haren, draagt een zwart corset en een strakke zwarte
jeans. Sensueel gooit ze haar hoofd en lange lokken naar voren en naar achteren, op de maat van de muziek. Haar bewegingen werken aanstekelijk.
Ook de anderen die vooraan aan het podium staan, headbangen, springen op en neer,
juichen, gaan uit hun dak. Ik verplaats af en toe mijn krukken, voor iemand er
opnieuw tegen kan botsen. Aan de buitenkant ben ik rustig, diep vanbinnen wil
ik op en neer gaan, mezelf doodop springen. Exit light. Enter night. Headbangen, zoals in het middelbaar.
De zanger glimlacht naar me. Hij lijkt te merken dat ik de lyrics,
die ik aan het meelippen ben, vanbuiten ken. Ik heb altijd gevreesd dat het een belachelijk
zicht is, mensen die meezingen met liedjesteksten. Jezelf Mick Jagger voelend
maar eigenlijk lelijke smoelen trekkend aan de zijlijn staan. Maar vandaag doe
ik het gewoon. Als ik niet kan dansen, mag ik brullen. “We’re
off to never-never land!”
Enter Sandman
stopt en de band zet een nieuw nummer in. Killing in the name of, van Rage Against
The Machine. Een nummer
dat voor ons in de nineties rebellie uitdroeg, al wisten we niet precies tegen
wie en waarom. Rage Against
The Machine doet wonderen voor mijn humeur. And
now you do what they told ya – now you’re under control – and now you do what
they told ya. Now you’re under control! Ik roep mee, samen
met de dansende mensen die rond mij staan.
De zanger komt mijn richting uit, houdt de microfoon onder
mijn neus. Ik brul, harder dan ik van mezelf had verwacht. Now you’re under control – and now you do what they
told ya! Hij
strekt zijn arm uit, nodigt me uit, het podium op. Ik aarzel, grijp naar mijn
krukken, denk "foert". Met mijn goede been voor en mijn slechte been achter, hijs
ik mezelf de trede op. De zanger legt zijn arm over mijn schouder, houdt de
microfoon tussen ons in. Samen roepen we verder. Fuck you, I won’t do what
you tell me! Het
publiek geniet, headbangt, springt op en neer. Iedereen gaat uit zijn dak. De
zanger grijnst naar me. Ik grijns terug. En brul alle ongeluk van de laatste
dagen uit mijn lijf. Deze is voor mijn knie. En voor alle puberale rebellie uit
de nineties. Die vandaag verdomd plezant is. Fuck you! I won’t do what you
tell me! Motherfucker! Ugh!