vrijdag 15 april 2016

Zombiebeertje


Mijn vingers glijden over de ribbels van de gepleisterde muur. Gebroken wit met een hoop geelgrijze vlekken, boven het hoofdeind van het bed en het nachtkastje - stempels van mijn voorgangers. Languit lig ik op een hobbelig matras. Ik kijk de kamer rond, staar naar het kleine vensterraam, mijn rugzak in de hoek, de flapperende ventilator op het nachtkastje. Over het raam hangt een fluo-oranje gordijn met helblauwe beertjes erop. Het buitenlicht priemt door de vele gaatjes in de stof. Twee gaatjes zitten pal in de ogen van een beertje. Zombiebeertje. Het gordijn moet hier al een tijd hangen. Ik lig dus niet op dezelfde kamer van toen. Een fluo-oranje gordijn met helblauwe beertjes had ik me zeker herinnerd.

Ik herinnerde me nog het winkelcentrum, waar we vijf jaar geleden ijs aten bij Häagen-Daz. Het restaurantje op de stoep in een smalle steeg, waar we tofu hadden besteld die zo pikant was dat de tranen over onze wangen liepen. Dat we de weg kwijt raakten, overvallen werden door een regenbui, na lang zoeken in het doolhof van steegjes onze hostel terugvonden en de slappe lach kregen in de donkere betonnen inkomhal waar we onze natte haren tegen elkaar en tegen de muren uitschudden als jonge honden. Ook wij moesten hier de wanden bestempelen.

Ergens las ik dat elke herinnering slechts een herinnering is van de vorige herinnering van dat moment. Hoe meer ik dezelfde herinnering ophaal, hoe meer die herinnering vervaagt, hoe meer ik hem overschrijf met eigen verzinsels. Ik zou dus beter stoppen met mij dingen te herinneren. Ik weet dat ik alles mooier maak. Ik herinner me geen spierpijn, geen vermoeidheid, geen hitte. Enkel het ijs, de pikante tofu, de slappe lach, de regendruppels op de muur. 

Ik laat mijn voeten over de lakens glijden. Koele lakens, donkerblauw, met een beige ruitjespatroon. Ik strek mijn armen volledig uit tot ik de randen van het bed kan voelen. Als kind snakte ik naar een tweepersoonsbed. Een speelterrein, een bedboot, een zee van lakens. Zoveel plek voor mij alleen! Dat moest zó leuk zijn! En nu, zoveel jaren later, is zoveel plek voor mij alleen zo treurig.

Gisteren deelde ik een éénpersoonsbed. Martijn liep ook rond in zijn eentje in Bangkok. En toen we beiden niet wilden stoppen met praten, wandelden we met twee. Samen maakten we de stad van ons. Ik liet mijn bed in de slaapzaal voor wat het was, we eindigden één verdieping hoger, in zijn bed, onze lijven aan elkaar gelijmd van de hitte. Te moe en te dronken om eraan te denken de ventilator aan te zetten. De volgende ochtend had de assertieve hosteluitbaatster al lang begrepen dat ik stiekem van kamer was veranderd en mijn rugzak uit de slaapzaal gegooid, bovenop de verzameling schoenen aan de inkom. We moesten er om lachen. 

Ik graai naar mijn fototoestel dat naast me op het bed ligt. Klik mijn foto’s van gisteren in Bangkok tevoorschijn. Grappen op de overzetboot, genieten van onze VIP-seats in de cinema, de karaokezingende verkoper op de markt, de kerel met bloot bovenlijf en cowboyhoed die zichzelf the crazy dude noemde en ons bleef achtervolgen op Khao San Road. Geen hitte, geen spierpijn, enkel de pret. Ik draai mijn fototoestel om en fotografeer mezelf. Mijn uitgestoken tong. Mijn bezwete voorhoofd. Die twee pukkels op mijn kin die ik te danken heb aan teveel zonnecrème. Even mottig doen. Ik maak drie lelijke foto’s en leg mijn toestel weer naast me op het bed. 

Ik had naar een andere hostel moeten gaan. Niet in deze kamer moeten blijven liggen. Niet naar mijn Bangkokfoto's moeten staren. Genoeg. Ik ga mijn herinneringen overschrijven. Chiang Mai opnieuw van mij maken. Nieuwe plaatsen ontdekken, nieuwe mensen leren kennen. Blijven gaan, schrijven en overschrijven. Daar, achter het raam, achter zombiebeertje, wacht de stad op mij. Ik moet enkel opnieuw naar buiten gaan. Nieuwe foto’s maken. Het mogen er ook mooie zijn.